Moet een franchisegever de franchisevereniging bij overleg betrekken?
Ja. Vroeger hing de rol van een franchisevereniging vooral af van wat partijen onderling hadden afgesproken. Sinds de Wet franchise heeft de franchisenemer een wettelijke plek aan tafel.
Die wet geldt sinds 1 januari 2021 en staat in het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:911 en verder). Hij bepaalt onder meer dat franchisegever en franchisenemers minstens één keer per jaar met elkaar overleggen. Een vereniging of franchiseraad als niet-relevant wegzetten, kan sindsdien simpelweg niet meer.
Van aanhoren naar instemming
De wet gaat verder dan overleg. Voor bepaalde ingrijpende besluiten geldt een instemmingsrecht (artikel 7:921 BW). Wil een franchisegever zijn formule wijzigen of een afgeleide formule exploiteren, en heeft dat financiële gevolgen voor de franchisenemers boven een afgesproken drempel, dan heeft hij vooraf hun instemming nodig.
Precies daar wordt een gezamenlijke vertegenwoordiging waardevol. Raakt een besluit de meerderheid van de franchisenemers, dan is één aanspreekpunt, een franchiseraad of een vereniging, de handigste manier om die instemming te organiseren. Voor beide kanten werkt dat sneller dan met iedereen apart schakelen.
Waar de eindverantwoordelijkheid blijft liggen
Aan de basis van franchise verandert één ding niet: de franchisegever blijft eindverantwoordelijk voor de formule en de koers op lange termijn. Overleg en instemming betekenen niet dat elke beslissing een gedeelde beslissing wordt.
De tijd dat een franchisegever de mening van zijn franchisenemers naast zich neer kon leggen, is voorbij. De vereniging vertegenwoordigt een van de dragende partijen in de samenwerking. Haar mening is per definitie relevant, en op steeds meer punten is die zelfs beslissend.