Vallen distributieovereenkomsten ook onder de (aankomende) franchisewet?

Tessa de Mönnink en Jaap van Till  schreven een artikel, dat op 1 mei jl. werd gepubliceerd in het NJB, waarin zij analyseren of exclusieve of selectieve distributieovereenkomsten onder de werking vallen van de aankomende franchisewet.

Aanleiding voor dit artikel vormt het feit dat BOVAG, de belangenorganisatie van autodealers in Nederland stelt dat dealer- en distributieovereenkomsten kwalificeren als franchiseovereenkomst onder de franchisewet. Zij is van mening dat alle bij BOVAG aangesloten mobiliteitsretailers, zoals autodealers, fietsbedrijven, gemotoriseerde tweewielerbedrijven, caravandealers, verhuurbedrijven en rijscholen, onder de werking van de franchisewet zou moeten vallen.

Ook de politiek lijkt gevoelig te zijn voor deze positie en de uitdrukking “Als het loopt als een eend en het kwaakt als een eend, dan is het een eend” werd meerdere malen aangehaald in deze discussie. Gezien de enorme gevolgen die dit voor de (rechts)praktijk zou hebben, vonden Van Till en De Mönnink het de moeite waard om zich hierin te verdiepen. 

Op dit moment zijn de rechtsfiguren handelsagentuur en bemiddeling in het burgerlijk wetboek geregeld en er zijn regels ten aanzien van de commissionair in opgenomen. Er bestaat (nog) geen wetgeving voor distributie- en franchiserelaties. Zonder wettelijke definitie zijn wij in Nederland op dit moment nog aangewezen op de in de rechtspraktijk, voornamelijk rechterlijke uitspraken, ontwikkelde criteria voor franchise. Het Pronuptia-arrest uit 1988 van het Europese Hof van Justitie is nog steeds erg relevant. De definitie van franchise in de aankomende franchisewet borduurt hierop voort. 

De franchiseovereenkomst onderscheidt zich van andere vormen van distributieovereenkomsten zoals de exclusieve- en de selectieve distributieovereenkomst doordat de kern van de franchiseovereenkomst is gelegen in de overdracht (licentie) van een bedrijfsconcept/ knowhow en van intellectuele eigendomsrechten met daaraan gekoppeld het recht van de franchisegever toezicht uit te oefenen op de toepassing van de overgedragen knowhow en gebruik van de intellectuele eigendomsrechten om daarmee een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseketen te behouden.

Voor de beoordeling of er sprake is van franchise wordt er door de auteurs eerst een onderscheid gemaakt tussen multi-brand en single-brand distributie en wordt er vervolgens zowel gekeken naar exclusieve als naar selectieve distributieovereenkomsten.

De conclusie van de auteurs is dat exclusieve en selectieve distributieovereenkomsten in het overgrote merendeel van de gevallen niet als franchiseovereenkomst kwalificeren onder de aankomende franchisewet. Terughoudendheid en juridische realiteitszin is hier derhalve op zijn plaats. Het gehele artikel is hier te lezen.
 

Tessa de Mönnink Tessa de Mönnink
Advocaat / Partner bij Parker Advocaten
Stel je vraag aan Tessa de Mönnink