Franchise en pensioenrecht

In een zaak bij de rechtbank Midden-Nederland (klik hier voor het volledige vonnis) speelde onlangs een kwestie waarbij franchise en pensioenrecht elkaar ontmoetten. In die kwestie hadden de franchisenemers van een pizza-franchiseformule een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt. Zij wilden namelijk een verklaring voor recht van de rechter dat zij niet verplicht waren tot deelneming aan het bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel.

Pensioenrecht

Hoe zit het ook al weer met bedrijfstakpensioenfondsen? De minister kan een verplichtstellingsbesluit publiceren. Op grond van dit verplichtstellingsbesluit zijn de in een specifieke bedrijfstak actieve werkgevers verplicht om zich te melden en aan te sluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds (‘Bpf’). Via een verplichtstellingsbesluit voorkomt de minister dat aan werknemers geen (of slechts een beperkte) pensioentoezegging wordt gedaan door de werkgever. De overheid wil dat voorkomen en beoogt juist een bedrijfstakbrede solidariteit te bewerkstelligen, zodat concurrentie op de arbeidsvoorwaarde ‘pensioen’ wordt voorkomen. Veel bedrijfstakken kennen overigens een Bpf, zoals onder meer de beveiliging, de schoonmaak en de bouw. Het laat zich eenvoudig raden dat Bpf Detailhandel het bedrijfstakpensioenfonds voor de detailhandel is.

Als een werkgever onder de reikwijdte van een verplichtstelling valt, dan heeft dat financiële gevolgen voor hem. Pensioen kost immers geld. Regelmatig komt het voor dat werkgevers zich op het standpunt stellen dat hun onderneming niet onder een bepaalde verplichtstelling valt. Aanknopingspunt is dan vaak de tekst van het verplichtstellingsbesluit. Om een brede groep werkgevers onder een verplichtstelling te brengen, is het nodig algemene termen te gebruiken. Laat dat nu net het perfecte aanknopingspunt zijn voor een discussie met het pensioenfonds, zo ook in het geval wat we hier bespreken.

De casus

In voornoemde kwestie had Bpf Detailhandel het standpunt ingenomen dat de franchisenemers van een pizza-franchiseformule onder de werking zouden vallen van het verplichtstellingsbesluit van Bpf Detailhandel. De franchisenemers hadden daar – om diverse redenen – een andere mening over.

Zouden de franchisenemers inderdaad onder het besluit vallen, dan zouden zij verplicht zijn tot aanmelding van hun werknemers als deelnemer aan het pensioenfonds. Ook zouden de franchisenemers gehouden zijn om gegevens over hun werknemers te verstrekken en – nog wezenlijker – tot betaling van premies aan Bpf Detailhandel voor de pensioenopbouw.

Wanneer is deelname precies verplicht? Op grond van het voornoemde besluit is deelname aan het pensioenfonds verplicht voor – kort samengevat – elk bedrijf dat in een winkel waren aan particulieren verkoopt. Onder ‘waren’ in de zin van het besluit wordt verstaan alle waren, met uitzondering van automobielen, benzine, bloembollen, landbouwzaden, levend pluimvee, pootaardappelen, scheepsbenodigdheden en tuinbouwzaden. Het betreft derhalve een ruim geformuleerd begrip.

De franchisenemers meenden echter dat zij geen detailhandel bedrijven in de zin van het verplichtstellingsbesluit, omdat zij geen wederverkopers zijn, pizza’s geen waren zouden zijn en hun vestigingen geen winkels zouden zijn. Zou de rechter oordelen dat er wel sprake zou zijn van detailhandel, ook dan vonden de franchisenemers dat de verplichtingstelling niet op hun van toepassing was. Als reden werd genoemd dat de franchisenemers zich niet in hoofdzaak bezig zouden houden met detailhandel (lees: het verkopen van de producten), maar in hoofdzaak met andere activiteiten (lees: het bereiden van het eten).

De toetsing door de rechter

Gezien voornoemde discussie dient het besluit dus uitgelegd te worden door de rechter. Wat valt bijvoorbeeld onder de term ‘detailhandel’? Is een pizza te beschouwen als een ‘waar’ in de zin van het besluit?

Om tot een uitleg te kunnen komen, geldt dat in beginsel de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit van doorslaggevende betekenis zijn. Deze uitleg wordt ook wel de ‘cao-norm’ genoemd. Daarbij komt het volgens de rechter onder meer aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit deze bewoordingen.  Gekeken moet worden naar de tekst zelf en een eventuele toelichting daarop.

Door deze maatstaf toe te passen in onderhavige kwestie merkt de rechter op dat de term ‘waren’ breed gedefinieerd is in het besluit en een bereide maaltijd niet uitsluit. Ook in onder meer het Van Dale woordenboek wordt volgens de rechter bij de term ‘waar’ verwezen naar “eetwaar”. Dat doet de rechter concluderen dat een pizza een ‘waar’ is in de zin van het besluit.

De stelling van de franchisenemers dat zij niet onder het besluit vallen, omdat zij andere producten inkopen dan zij uiteindelijk verkopen, vindt geen gehoor bij de rechter. Het is inderdaad juist dat het eindproduct (de pizza’s) een andere chemische samenstelling heeft dan de losse ingrediënten waaruit het bestaat, zoals deeg, kaas en champignons, maar volgens de rechter worden nog steeds dezelfde ‘waren’ verkocht. Sterker nog, de rechter merkt op dat van enige aanpassing, zoals bijvoorbeeld ompakken of samenstellen van waren, al snel sprake is. Er zijn geen aanwijzingen volgens de rechter dat het besluit vereist dat de waren die de franchisenemers inkopen identiek dienen te zijn aan de verkochte waren. Het besluit is dus van toepassing. 

Wat te denken van het argument dat de franchisenemers zich niet in hoofdzaak bezig houden met ‘detailhandel’, maar vooral met het bereiden van de maaltijden? De rechter oordeelt dat het bereiden van de maaltijden ondersteunend is aan de verkoopactiviteiten. Zonder verkoop is er immers geen bereiding nodig. Alle activiteiten zijn dus uiteindelijk ondersteunend aan de verkoop en daarom houden de franchisenemers zich wel degelijk in hoofdzaak bezig met detailhandelsactiviteiten, aldus de rechter. 

Overigens zouden de franchisenemers niet verplicht zijn om zich aan te sluiten bij Bpf Detailhandel als zij al vallen onder een ander bedrijfstakpensioenfond, zoals bijvoorbeeld Bpf Horeca en Catering. De franchisenemers hebben op die uitzondering echter geen beroep gedaan en tijdens de procedure is onvoldoende duidelijk geworden dat de franchisenemers inderdaad ook bij (bijvoorbeeld) Bpf Horeca en Catering aangesloten moeten worden. De rechter concludeert dan ook de franchisenemers onder het besluit vallen, gehouden zijn tot aansluiting en daarmee verplicht zijn om premies te betalen ter zake het pensioen van de medewerkers.

Afsluitend

Wanneer een franchisenemer met personeel (of een franchisegever met eigen winkels) zich niet heeft gemeld kan het enige tijd duren voor het Bpf hem ‘toevallig’ ontdekt en aanschrijft. Het Bpf mag dan aansluiten met terugwerkende kracht. De aansluitdatum kan dus jaren in het verleden liggen. Daarmee kan de verschuldigde premie flink oplopen en een financieel risico vormen voor de ondernemer. Franchisenemers en franchisegevers doen er dus verstandig aan om te laten toetsen of zij mogelijk onder de werkingssfeer van enige verplichtstelling vallen en bij twijfel in overleg te treden met een Bpf. Franchisenemers en franchisegevers dienen zich als werkgever namelijk proactief te melden bij een Bpf en kunnen zich niet verschuilen achter het standpunt dat het Bpf hen had moeten aanschrijven.

Jan-Willem Kolenbrander, advocaat franchise en Menno de Wijs, advocaat pensioenrecht
 

Al ruim 160 jaar laten een groot aantal, veelal landelijk opererende, bedrijven en stichtingen hun belangen behartigen door De Clercq Advocaten Notariaat.

Stel je vraag aan Jan-Willem Kolenbrander