Schending ‘goed franchisegeverschap’ leidt tot ontbinding franchiseovereenkomst

De verplichting van franchisegever en franchisenemer om zich jegens elkaar als goed franchisegever en goed franchisenemer te gedragen is met de invoering van de Wet franchise per 1 januari 2021 wettelijk verankerd. In een recente uitspraak van de rechtbank Gelderland lijkt de rechtbank (ondanks dat de Wet franchise ten tijde van de inhoudelijke discussie nog niet van kracht was) op basis hiervan een ontbinding door de franchisenemer te rechtvaardigen. 

Feiten

In de betreffende kwestie was de franchisenemer ontevreden over het handelen van de franchisegever en had hij andere franchisenemers uitgenodigd om daasrover overleg te plegen en daarna gezamenlijk de franchisegever te benaderen. 

Dat was bij de franchisegever kennelijk niet goed gevallen. Volgens de franchisenemer had de franchisegever publiekelijk de wens uitgesproken dat hij formule zou moeten verlaten. Naar aanleiding daarvan bevestigt de franchisenemer per e-mail van 19 maart 2019 dat hij aan het verzoek van de franchisegever gehoor zal geven en de formule zal verlaten. 

In reactie hierop ontkent de franchisegever dat hij de franchisenemer uit de formule wil hebben en stelt dat zijn woorden verkeerd geïnterpreteerd zijn. De franchisenemer houdt echter voet bij stuk en blijft bij zijn standpunt dat hij de franchiseovereenkomst als beëindigd beschouwd per 15 maart 2019, de datum waarop de franchisegever zijn verzoek tot beëindiging zou hebben uitgesproken.  

De franchisegever betwist dat de franchiseovereenkomst is geëindigd, maar hij stopt wel met het verzenden van facturen en haalt de vestiging van de franchisenemer van de website. De franchisenemer zet vervolgens zijn exploitatie onder eigen naam door en de franchisegever onderneemt geen enkele actie. Pas bijna 2 jaar na dato, per 16 februari 2021, stelt de franchisegever dat hij alsnog de franchiseovereenkomst opzegt en (subsidiair) ontbindt. 

Oordeel rechter

Hoewel de rechter niet meegaat in het betoog van de franchisenemer dat de franchiseovereenkomst door een (mondelinge) mededing van de franchisegever op 15 maart 2019 is geëindigd, is de rechter wel van oordeel dat de franchiseovereenkomst in maart 2019 is geëindigd. 

Van belang daarvoor is dat partijen na de schriftelijke bevestigingen van franchisenemer over de beëindiging feitelijk ook hebben gehandeld alsof de franchiseovereenkomst was geëindigd. Er werden namelijk geen facturen meer verstuurd voor de franchise fee en de vestiging van de franchisenemer was van de website gehaald. 

Dan oordeelt de rechter vervolgens aan de hand van uitgebreide overwegingen dat de brieven van de franchisenemer moeten worden gezien als een ontbindingsverklaring, ondanks dat daarin een dergelijke verklaring niet te lezen is. 

Volgens de rechter kan de ontbinding van de franchisenemer worden gestoeld op het feit dat de franchisegever zich niet als goed franchisegever heeft gedragen. Daardoor is hij tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens de franchisenemer. 

Deze verplichting vult de rechter in aan de hand van de feiten die hieronder kort worden weergegeven:

-    De franchisegever zou het de franchisenemer onverbloemd kwalijk hebben genomen dat hij een kartrekkersrol vervulde in het “clubje” franchisenemers;
-    Uit het aanduiden van de franchisenemers als een “clubje” zou blijken dat de franchisegever niet bereid was om serieus naar hun zorgen te luisteren;
-    Het zou volgens de rechter begrijpelijk zijn dat de franchisenemer zich ongewenst verklaard voelde en de samenwerking niet meer zag zitten;
-    Niet gebleken is dat de franchisegever pogingen heeft gedaan om de relatie weer werkbaar te maken. 

Aan de hand van bovengenoemde feiten oordeelt de rechter dat de franchisegever tekortschoot in zijn verplichtingen om als goed franchisegever te handelen en daarom kon de franchisenemer rechtsgeldig ontbinden. 

Conclusie 

Op zichzelf is het te begrijpen dat de rechter concludeert dat de franchiseovereenkomst is geëindigd, aangezien partijen feitelijk geen uitvoering meer hieraan gaven.  

De motivatie komt mij echter voor als een doelredenering van de betreffende rechter die wettelijke aanknopingspunten heeft gezocht om de franchisenemer gelijk te kunnen geven. Dat had mijns inziens ook eenvoudiger gekund door te oordelen dat beide partijen de franchiseovereenkomst met wederzijds goedvinden hadden beëindigd door er feitelijk geen uitvoering meer aan te geven. 

Het wordt uit de uitspraak ook niet duidelijk of de rechter de ontbinding ook daadwerkelijk grond op de verplichting zich als goed franchisegever te gedragen zoals opgenomen in de Wet franchise (artikel 7:912 BW). Wel toont deze uitspraak aan dat rechters zich met een containerbegrip als ‘goed franchisegever’ kunnen veroorloven om tot bepaalde oordelen te komen die op voorhand, vanuit strikt juridisch oogpunt, niet altijd voor de hand liggen. 

Hoewel het de vraag is of deze kwestie ook bij een gerechtshof de (juridische) toets der kritiek zou doorstaan, doen franchisegevers er toch goed aan om niet alleen duidelijke afspraken te maken, maar zeker ook bij hun handelen steeds voor ogen te houden dat zij zich redelijk dienen te gedragen. Schending van ‘goed franchisegeverschap’ kan hen immers duur komen te staan.

 

Ludwig & Van Dam franchise advocaten is een geheel in franchise- en andere samenwerkingsverbanden gespecialiseerd advocatenkantoor en marktleider sinds 1996 in zijn soort in Nederland.

Stel je vraag aan Mr R.C.W.L. Albers