Franchisenemers, let op verplichtingen bij einde franchiseovereenkomst

"Een franchisenemer kan een bepaling tot verplichte afgifte niet zonder meer aan zijn laars lappen".

In een franchiseovereenkomst zijn over het algemeen ook bepalingen opgenomen die bij de beëindiging van de franchiseovereenkomst doorwerken. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het geheimhoudings- en het concurrentiebeding. Eveneens kan in een franchiseovereenkomst een bepaling zijn opgenomen dat bepaalt dat bij einde van de franchiseovereenkomst franchisenemer bijvoorbeeld voorraad en/of apparatuur aan franchisegever, al dan niet tegen een vooraf overeengekomen prijs c.q. formule, dient te verkopen. Een franchisenemer kan een bepaling tot verplichte afgifte niet zonder meer aan zijn laars lappen. Zo oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland recent dat franchisenemer alle tot de franchiseovereenkomst behorende apparatuur aan franchisegever ter beschikking diende te stellen onder verbeurte van een dwangsom van € 3.000,- voor iedere dag dat franchisenemer in gebreke blijft tot een maximum van € 24.000,-.

Franchiseovereenkomst

Een franchisegever van een formule voor instituten voor gewichtsbeheersing en figuurcorrectie had met een franchisenemer een franchiseovereenkomst gesloten waarin in artikel 28 ’Verplichtingen bij beëindiging van de overeenkomst’ lid 5 was bepaald dat ingeval en voor zover de eigendom van de apparatuur bij franchisenemer berust, franchisenemer de betreffende apparatuur binnen acht dagen na beëindiging van de franchiseovereenkomst aan franchisegever ter beschikking dient te stellen.

Afgifte c.q. waardering apparatuur

Op 7 augustus 2017 zijn franchisegever en franchisenemer overeengekomen dat de franchiseovereenkomst per 31 december 2017 zou eindigen. Voor wat betreft de apparatuur heeft franchisegever kennelijk franchisenemer aangeschreven over de waarde van de apparaten. In reactie hierop heeft franchisenemer bij e-mail van 17 november 2017 franchisegever bericht dat de betreffende apparatuur zijn eigendom is en de formule van franchisegever niet uniek en niet beschermd is. Bovendien zou de apparatuur vrij in de markt verkrijgbaar zijn ten gevolge waarvan naar het oordeel van franchisenemer er geen gevaar voor de continuïteit van de formule zou ontstaan.

In de franchiseovereenkomst was ten aanzien van de waardering van de apparatuur bepaald dat na het verstrijken van één jaar na de aankoop van de apparatuur deze 70% van de oorspronkelijke verkrijgingsprijs waard zou zijn en vervolgens rekening moest worden gehouden met een  afschrijvingspercentage van 1% per maand tot een restwaarde van 5%. De geldende koopprijs zou volgens franchisegever derhalve nihil zijn. Volgens franchisenemer zou dit echter niet de werkelijk (markt)waarde vertegenwoordigen. In dit kader heeft franchisenemer franchisegever aangeboden de apparatuur tegen een realistische prijs over te nemen. Voor wat betreft de waardering van de apparatuur is franchisenemer kennelijk ook bij andere franchisenemers nagegaan of zij een dergelijk beding in de franchiseovereenkomst hadden. Naar aanleiding van het onderzoek was franchisenemer tot de conclusie gekomen dat niet alle franchiseovereenkomsten een dergelijk beding bevatten. Franchisenemer deed in dit kader een beroep op willekeur.

Vanwege het feit dat franchisenemer geen gehoor wilde geven aan het verzoek van franchisegever heeft franchisegever in kort geding onder meer gevorderd dat franchisenemer alle bij de franchiseovereenkomst horende appratuur uiterlijk op 7 januari 2018 aan franchisegever ter beschikking diende te stellen. Franchisegever heeft kort gezegd nakoming gevorderd van artikel 28 lid 5 van de franchiseovereenkomst. Het verweer van franchisenemer komt erop neer dat hij onmogelijk aan die verplichting zou kunnen voldoen, omdat de apparatuur aan een ander zou zijn verkocht. Franchisegever stelt zich vervolgens op het standpunt dat die verkoop door franchisenemer een schijnhandeling zou zijn en uitsluitend is bedoeld om de rechten van franchisegever te frustreren teneinde zijn eigen positie bij de onderhandelingen over de beëindiging te verbeteren. Bovendien zou naar het oordeel van franchisegever voornoemde verkoop in strijd met artikel 16 lid 4 van de franchiseovereenkomst zijn. Artikel 16 lid 4 van de franchiseovereenkomst bepaalt namelijk expliciet dat apparatuur, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van franchisegever, onder geen enkele voorwaarden aan derden mag worden overgedragen dan wel ter beschikking mag worden gesteld.

Oordeel voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure zal oordelen dat franchisenemer op grond van artikel 28 lid 5 van de franchiseovereenkomst de apparatuur uiterlijk op 7 januari 2018 aan franchisegever ter beschikking moet stellen, omdat partijen dit contractueel zijn overeengekomen. De stelling van franchisenemer dat hij de apparatuur aan een derde zou hebben verkocht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk, omdat franchisegever onder andere heeft gesteld en franchisenemer niet, althans onvoldoende, heeft betwist, dat de koper van de apparatuur de broer van franchisenemer is, franchisenemer niet heeft aangetoond dat de koopprijs en de huurpenningen daadwerkelijk zijn voldaan alsook pas tijdens de mondelinge behandeling op 29 december 2017 franchisenemer bekend heeft gemaakt wie de koper van de apparatuur was en welke kenmerken de verkoop had. Door de voorgaande omstandigheden heeft franchisegever naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat een (geldige) verkoop niet werkelijk heeft plaatsgevonden, maar slechts door franchisenemer is tegengeworpen om bevrijd te zijn uit de verplichtingen tot terug levering die de franchiseovereenkomst aan franchisenemer oplegt.

Lering voor de praktijk

Deze uitspraak toont weer eens aan dat franchisenemers terughoudend dienen te zijn met het achteraf verzinnen van een constructie teneinde te trachten onder de verplichtingen voortvloeiende uit de franchiseovereenkomst uit te komen. Alvorens tot verkoop van bijvoorbeeld apparatuur over te gaan doen franchisenemers er derhalve verstandig aan na te (laten) gaan of in de franchiseovereenkomst een verplichting tot afgifte is opgenomen.

Sabriye Ort
Leeman Verheijden Huntjens Advocaten

Sabriye Ort
Sabriye Ort Sabriye Ort
Advocaat
Stel je vraag aan Sabriye Ort