Franchise en goodwill I

Eind september van dit jaar heeft het Gerechtshof Amsterdam een uitspraak gedaan inzake de vraag of en in hoeverre een franchisenemer een goodwillvergoeding toekomt na het einde van de franchiseovereenkomst. In casu was sprake van overname van de vestiging van de franchisenemer door de franchisegever. In de franchiseovereenkomst waren hierover geen afspraken gemaakt. 

De franchisenemer grondde zijn vordering primair op artikel 7: 308 lid 1 BW, welk artikel  bepaalt dat de huurder van een bedrijfsruimte recht heeft op goodwill wanneer de verhuurder na het einde van de huurovereenkomst voordeel geniet omdat in het gehuurde een bedrijf wordt geoefend, gelijk of gelijksoortig aan dat van de vertrokken huurder. De franchisenemer baseerde zijn vordering derhalve op een huurrechtelijke bepaling. Op zichzelf is dat een begrijpelijke keuze, nu, zoals gezegd, de franchiseovereenkomst zelf niets omtrent goodwill bepaalde, en er sprake was van zowel een franchise- als een huurovereenkomst. In de praktijk wordt in dergelijke situaties over het algemeen aansluiting gezocht bij de huurovereenkomst, welke als in de wet geregelde overeenkomst gaat voor de niet geregelde franchiseovereenkomst. 

In eerste aanleg had de kantonrechter onder andere overwogen dat met name de locatie van het gehuurde te dezen van belang was (Schiphol) en niet de bedrijfsactiviteiten van de franchisenemer. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de vordering van de  huurder/franchisenemer uiteindelijk afgewezen en is geen goodwillvergoeding toegekend. Kort gezegd bleek het Gerechtshof van oordeel dat de franchisenemer onvoldoende concrete aanknopingspunten had aangevoerd om tot de conclusie te kunnen komen dat de franchisegever voordeel had genoten dat is toe te rekenen aan de ondernemingsactiviteiten van de franchisenemer. Voorts sloot het Gerechtshof aan bij de redenering dat de goodwill vooral door de locatie was opgebouwd.

Deze kwestie biedt echter wel stof tot nadenken. Wat zou het oordeel zijn geweest wanneer de locatie minder van doorslaggevende betekenis zou zijn geweest en/of de franchisenemer wel had kunnen aantonen dat de franchisegever / verhuurder voordeel zou hebben genoten? In mijn visie laat de beoordeling door beide gerechtelijke instanties onder omstandigheden wel degelijk ruimte voor de toekenning van goodwill. Op zichzelf volgt dat natuurlijk al uit de wettekst van artikel 7: 308 BW, maar in franchiseverhoudingen komt dat wetsartikel, en de daaraan gekoppelde afweging, zelden terug. Het belang van de onderhavige uitspraak is er dan ook primair in gelegen dat met zoveel woorden argumenten zijn benoemd om niet tot een goodwillvergoeding over te gaan. Interessant is wanneer in een volgende procedure die redenering wordt omgedraaid: het lijkt goed voorstelbaar dat bijvoorbeeld op een minder in het oog springende locatie als Schiphol een franchisenemer/huurder wel degelijk kan betogen dat op zijn bedrijfslocatie waarde is ontwikkeld als gevolg van zijn activiteiten. Daarmee zou, langs huurrechtelijke weg, dus ruimte kunnen ontstaan voor goodwillvergoedingen in franchiseverhoudingen. Ook zonder huurrechtelijke component is dit overigens niet zonder meer uitgesloten. Daarover een volgende keer meer. 

Mr. D.L. van Dam 
Ludwig & Van Dam advocaten

D.L. van Dam

Ludwig & Van Dam franchise advocaten is een geheel in franchise- en andere samenwerkingsverbanden gespecialiseerd advocatenkantoor en marktleider sinds 1996 in zijn soort in Nederland.

Stel je vraag aan Mr D.L. van Dam