Deze constructies hebben al tot
(zeer) veel juridische procedures geleid. Het wordt pas echt gecompliceerd,
als de franchisegever franchise- en huurovereenkomst aaneen koppelt en
de dwingend rechterlijke huurtermijnen (5 jaar en 5 optiejaren; art. 7:292
Burgelijk Wetboek (BW)) niet synchroon lopen met de franchiseovereenkomst,
die bijvoorbeeld na 3 jaar kan eindigen of nadat de rechter hem heeft ontbonden.
Wat franchisegevers echt niet willen is dat de franchiseovereenkomst eindigt,
de huurovereenkomst doorloopt en de ex-franchisenemer op dezelfde locatie
producten gaat verkopen van een concurrent.
Goedkeuring door rechter
Een van de mogelijkheden is de rechter overeenkomstig art. 7:291 lid
2 BW te vragen goedkeuring te verlenen, om van de dwingend rechterlijke
regels
af te wijken. Die goedkeuring wordt niet verleend, indien de rechten
die de huurder aan de wet kan ontlenen wezenlijk worden aangetast of
indien
de maatschappelijke positie van de huurder in vergelijking met de verhuurder
zodanig is dat hij de bescherming van de wet in redelijkheid niet behoeft.
In de praktijk blijkt echter dat in franchiseovereenkomsten vaak een
ruime eenzijdige bevoegdheid voor de franchisegever is opgenomen om
de franchiseovereenkomst
op te zeggen (zie: Kantongerecht (Ktg) Gorinchem 28 oktober 1991, Praktijkgids.
1992, 3623), welke bevoegdheid zich niet verdraagt met strekking en geest
van artikel 7A:1624 e.v. BW (oud) en Kantongerecht Terneuzen 3 april
1996, Praktijkgids. 1996, 4596, m.nt. AJJ).
| Het wordt pas echt gecompliceerd als de huurtermijnen
niet synchroon lopen met de franchiseovereenkomst |
Recent is in de Praktijkgids (Prg.) een arrest van het gerechtshof ´s-Gravenhage
verschenen, in welke zaak de kantonrechter –na verlenging van de
franchiseovereenkomst– wel toestemming had verleend, doch BP ontbinding
van de exploitatieovereenkomst vorderde, omdat Otopol de bepalingen uit
de exclusieve afname-overeenkomst niet wilde naleven en van een andere
oliemaatschappij brandstoffen en smeermiddelen is gaan betrekken. De rechtbank
wees de vordering toe en stelde BP in het gelijk. Otopol tekende beroep
aan. De grieven (dat zijn de bezwaren in hoger beroep tegen het vonnis)
strekken ertoe de vraag aan de orde te stellen of de wanprestatie zo ernstig
is, dat de ontbinding van de exploitatieovereenkomt is gerechtvaardigd.
Huur
en franchise één geheel
Volgens het hof vormden de huur- en afnameovereenkomst één
geheel, met name omdat daarin is gesteld, dat indien goedkeuring door de
kantonrechter wordt geweigerd de overeenkomsten geacht moeten worden nooit
te zijn gesloten. Het hof is er verder vanuit gegaan dat partijen bij het
sluiten van beide overeenkomsten niet hebben voorzien, dat de beëindigingbepaling
van de exploitatieovereenkomst nietig is. Dat roept de vraag op of door
de koppeling met de exploitatieovereenkomst, de afnameovereenkomst ook
doorloopt, na verlenging van de exploitatie. Beantwoording van deze vraag
is afhankelijk van de gedragingen van partijen na afloop van de eerste
termijn van tien jaar. Aangezien BP niet heeft gereageerd op de brief van
Otopol aan diverse oliemaatschappijen met het verzoek offertes in te dienen
en evenmin heeft gereageerd op de brief van Otopol waarin zij verzocht
aan BP de oude pompen en onderscheidingsmiddelen van het terrein te verwijderen,
is het hof van oordeel dat BP heeft ingestemd met de feitelijke beëindiging
van de afnameovereenkomst.
| In feite heeft het hof het 'wie-zwijgt-stemt-toe-beginsel'
toegepast |
In feite heeft het hof het wie-zwijgt-stemt-toe-beginsel
toegepast. In het algemeen geldt dat adagium (dat gezegde, red) niet in
het Nederlandse
recht, zij het dat het altijd goed is direct te protesteren, indien je
het niet eens bent met bepaalde gedragingen van één der franchisepartijen.
In mijn praktijk word ik in ieder geval buitengewoon vaak geconfronteerd
met franchisenemers die niet tijdig hebben geprotesteerd en daardoor hun
rechten ernstig beperken en zelfs verliezen. Maar dat terzijde. In mijn
annotatie (opmerkingen, red) onder het arrest heb ik verwezen, naar verschillende
uitspraken van de Hoge Raad, waarbij niet alleen oliemaatschappijen waren
betrokken, maar ook bierbrouwerijen. Net als franchisegevers willen zij
een stevige greep op vestigingpunten houden en hebben ze heel wat constructies
uitgedacht om de huurder te beperken in zijn huurrechten. Echter, tevergeefs.
Zelfs het in bruikleen geven van een pompstation, of het om niet ter beschikking
stellen van de locatie zijn geen bruikbare constructies gebleken.
Opstelling
partijen
In de hierboven aangehaalde zaak van het Hof ’s-Gravenhage ben ik
van mening dat het hof te kort door de bocht is gegaan, door te overwegen
dat de ontkoppeling van de huur- en afnameovereenkomst afhankelijk is van
de vraag hoe partijen zich hebben opgesteld. In de Hoge Raad, Nederlandse
Jurispredentie 1988, 72 (Esso/Pols) achtte de Hoge Raad op het gehele samenstel
van de afnamecontracten de bepalingen inzake huur en verhuur van bedrijfsruimte
toepasselijk, ook wat betreft het recht van Pols op levering en gebruik
van Essoproducten. De Hoge Raad oordeelde, dat in het kader van zijn onderzoek
naar de aard van de rechtsverhouding tussen pp. (partijen, red) heeft het
hof vastgesteld dat de tegenprestatie voor het gebruik van de bedrijfsruimte
wordt gevormd door de verplichtingen van Pols uitsluitend van Esso afkomstige
brandstoffen en smeermiddelen te verkopen en om jaarlijks vaste hoeveelheden
benzine en gasolie van Esso af te nemen tegen door Esso vastgestelde prijzen,
alsmede - voorwaardelijk - om 'exploitatierecht' te betalen (...) Daarvan
uitgaande heeft het hof terecht geoordeeld dat op het gehele samenstel
van de afnamecontracten, het smeeroliecontract en het exploitatiecontract
(...) de bepalingen inzake huur en verhuur van bedrijfsruimte, niet de
daarmee onverenigbare bepalingen van die contracten, toepasselijk zijn,
ook wat betreft het recht van Pols op levering en gebruik van Essoprodukten.
Wat voor Esso geldt, geldt ook voor BP en geldt ook voor franchisepartijen.
Waar het om gaat, is dat de onroerende zaak niet het hoofdelement van de
overeenkomst vormt, maar de onroerende zaak een onderdeel vormt van het
geheel. Uit letter en strekking van de exploitatie- en afnameovereenkomsten
blijkt dan zonneklaar dat partijen bij het aangaan van de overeenkomsten
ervan zijn uitgegaan, dat de prestatie niet gesplitst kan worden, zodat
alsdan een overeenkomst van eigen karakter moet worden aangenomen, waarvan
niet het onroerend goed, doch het bedrijf het object is.
| Het is aan te bevelen om in franchiseovereenkomsten
op te nemen dat franchisenemers recht hebben op een goodwillvergoeding |
In feite pleit
ik voor de franchisegever. Of beter: voor het franchiseketenbelang.
Zie in dit verband mijn artikelen in dit blad: Franchise- en huurovereenkomst;
een gemengd huwelijk met een lelijk trekje. Franchise 1997-3, p. 44-45
en voor de liefhebber: Opent art. 7A:1624 de weg naar ongewenste ontbindingen?
Prg. 1998, p. 43-52 en Franchise- en huurovereenkomst; een gemengd
huwelijk
met een lelijk trekje II. Franchise, Retailkatern 1998-4, p. 2-3.
Goodwillvergoeding
voorkomt problemen
Ter voorkoming van al te grote juridische problemen en gerechtelijke
procedures is het aan te bevelen dat franchisegevers clausules in franchiseovereenkomsten
opnemen, ten gevolge waarvan franchisenemers recht hebben op een goodwillvergoeding
na beëindiging van de overeenkomsten. Dergelijke bepalingen komen
helaas niet frequent voor. Ik ken er enkele, maar die zijn dan weer gebaseerd
op de dwingendrechtelijke goodwillvergoeding van handelsagenten, bemiddelingadviseurs
nadat de overeenkomst door de principaal is beëindigd. De niet-bemiddelaar-franchisenemer
kan echter een beroep doen op art. 7:308 BW, waarin staat dat indien de
verhuurder lees: franchisegever) de huurovereenkomst opzegt en vervolgens
het gehuurde wordt gebezigd voor de uitoefening van een bedrijf, gelijksoortig
aan het door de gewezen huurder of onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd aldaar uitgeoefende bedrijf, de gewezen huurder of de onderhuurder
een naar billijkheid te berekenen vergoeding kan vorderen. De vordering
moet dan wel binnen een jaar na het eindigen van de huurovereenkomst worden
ingesteld.
Joop van der Heiden
mr. dr. A.J.J. van der Heiden is gespecialiseerd in franchising en als
advocaat werkzaam in Den Helder. Zie ook: www.franchiseadvocaten.nl. |