De franchisenemer, die zonder enige
schroom en zonder onderzoek naar de haalbaarheid in een franchiseovereenkomst
stapt, heeft weinig recht van spreken als het met zijn franchiseonderneming
mis mocht lopen. Hij had namelijk van tevoren onderzoek moeten doen.
Het onderzoeken
wordt in het algemeen niet door de franchisegever en/of kandidaat-franchisenemer
zelf gedaan. Dat laten zij over aan anderen, bijvoorbeeld
de bankier, de accountant, maar toch meer en meer aan op dat gebied gespecialiseerde
onderzoeksbureaus.
In sommige gevallen verstrekt de franchisegever de opdracht
voor een vestigingsplaatsonderzoek naar een nieuwe franchiselocatie aan
een dergelijk bureau en stelt de resultaten
van dit onderzoek aan de kandidaat-franchisenemer ter beschikking. In
andere gevallen verstrekt de kandidaat-franchisenemer zelf de opdracht
voor het
uitvoeren van een vestigingsplaatsonderzoek.
Vestigingsplaatsonderzoek in
opdracht van de franchisegever
De Hoge Raad heeft op 25 januari 2002 expliciet verwoord, dat “voortkomend
uit eisen van redelijkheid en billijkheid en de aard van de franchiseovereenkomst
niet de algemene regel voortvloeit dat op de franchisegever een verbintenis
rust om de (kandidaat-)franchisenemer in te lichten omtrent de te verwachten
omzet of omtrent de winstverwachting”.
In het door de Hoge Raad berechte
geval ging het om een franchisegever, die een opdracht tot het verrichten
van een vestigingsplaatsonderzoek aan
een gespecialiseerd onderzoeksbureau had verstrekt. Dit onderzoek werd
vervolgens aan de (kandidaat-)franchisenemer beschikbaar gesteld. Op
grond van deze gang van zaken kon dus niet worden gesteld, dat de franchisegever
op grond van de overeenkomst zelf tot het inlichten van de (kandidaat-)franchisenemer
verplicht was.
En als er geen verplichting tot inlichten omtrent de omzet en omtrent
de winstverwachting bestaat aan de zijde van de franchisegever, dan kan
deze
ook niet worden aangesproken op een tekortkoming in de nakoming van die
(dus niet bestaande) verplichting.
Wel noteert de Hoge Raad in de kantlijn,
dat de franchisegever onrechtmatig zou kunnen handelen, indien hij zou
weten dat het aan de (kandidaat-)franchisenemer
ter hand gestelde onderzoeksrapport ernstige fouten zou bevatten. In
dat geval rust er op de franchisegever een algemene, maatschappelijke
(niet
contractuele) plicht om de (kandidaat-)franchisenemer daarop te wijzen.
Er waren echter in dit geval geen redenen die maakten dat de franchisegever
behoorde te twijfelen aan redelijkheid van de omzet- en winstverwachtingsprognose
van het onderzoeksrapport.
Deze belangrijke uitspraak van de Hoge Raad komt
dus helemaal niet toe aan de vraag naar de kwaliteit van het vestigingsplaatsonderzoek
verricht
door het gespecialiseerde bureau. Dat bureau was ook geen partij in deze
kwestie, hetgeen weer samenhing met het feit dat niet de (kandidaat-)franchisenemer
maar de franchisegever de contractpartij was van dat gespecialiseerde
onderzoeksbureau.
Vestigingsplaatsonderzoek in opdracht van de franchisenemer
Anders ligt dit in de zaak, die leidde tot de uitspraak van het Hof Leeuwarden
van 5 maart 2003. In dit geval was het de (kandidaat-)franchisenemer
zelf, die -weliswaar op voorspraak van de franchisegever- opdracht had
gegeven tot het verrichten van het vestigingsplaatsonderzoek aan een
gespecialiseerd bureau. Ook hier stelde de franchisenemer, dat de omzet-
en winstverwachtingsprognose niet viel te realiseren en daarmee ondeugdelijk
was. De franchisenemer sprak daarop niet alleen de franchisegever aan,
maar ook het gespecialiseerde bureau, stellende dat dit bureau toerekenbaar
tekort zou zijn gekomen in nakoming van haar onderzoeksopdracht.
In de onderlinge
relatie tussen de opdrachtgevende franchisenemer en het opdrachtnemende
onderzoeksbureau komen kwesties omtrent vragen of de franchisegever
en de franchisenemer hun verplichtingen uit de franchiseovereenkomst
wel behoorlijk zijn nagekomen, geheel niet aan de orde. In deze relatie
is
dan aan de orde: heeft het onderzoeksbureau zich behoorlijk gekweten
van haar taak om een zorgvuldig en vakbekwaam onderzoek uit te voeren en
daarvan
adequaat verslag te doen?
De franchisenemer beweerde dat het onderzoeksbureau
zich van die taak onvoldoende behoorlijk had gekweten en eiste -kort
gezegd- vergoeding van
geleden schade bestaande uit de door de franchisenemer geleden exploitatieverliezen.
‘Wie eist, bewijst’ zo
luidt een hoofdregel in het Nederlandse procesrecht. Maar hoe bewijs je
als opdrachtgevend franchisenemer dat
het onderzoeksbureau zich onbehoorlijk van zijn taak heeft gekweten. Het
onderzoeksbureau voerde aan dat in het kader van het vestigingsplaatsonderzoek
inlichtingen zijn ingewonnen van de gemeente van de beoogde franchisevestiging
en het in die regio opererende arbeidsbureau. De beoogde locatie werd
beoordeeld. Alle doorgaande wegen werden beoordeeld ten aanzien van de
bereikbaarheid van de beoogde franchisevestiging. Statistische gegevens
over bestedingsgedrag van consumenten in de branche werden ingewonnen,
zowel van de beoogde franchisegever als van andere partijen in die markt
en andere onderzoeksinstituten. Kortom, het onderzoeksbureau stelde zich
behoorlijk van haar taak te hebben gekweten.
Daartegenover kon de franchisenemer
niet aantonen, dat het vestigingsplaatsonderzoek uitging van apert foute
veronderstellingen, dat het gebaseerd was op ondeugdelijke
of verouderde gegevens of apert onjuiste ervaringsregels en veronderstellingen
hanteerde. Temeer omdat in een tweede onderzoek door een ander onderzoeksbureau,
dat door de franchisenemer werd ingebracht, eigenlijk van dezelfde uitgangspunten
en gegevens werd uitgegaan. De franchisenemer kon in essentie slechts
aanvoeren dat hij deze prognoses niet had kunnen realiseren en dat deze
voor hem
niet haalbaar zijn gebleken.
Het Hof Leeuwarden kenschetst dat een dergelijk
onderzoek naar zijn aard in belangrijke mate is gebaseerd op en verweven
met algemeenheden en veronderstellingen.
De mate waarin de prognoses kunnen worden gerealiseerd is mede afhankelijk
van een aantal concrete omstandigheden, die vooraf alleen maar veronderstellenderwijs
zijn te bepalen, en is mede afhankelijk van niet vooraf te taxeren kwaliteiten
en inspanningen van de franchisenemer.
Een vestigingsplaatsonderzoek geeft
dan ook geen garantie dat deze veronderstellingen zullen worden bewaarheid.
Dat de franchisenemer de prognoses van het vestigingsplaatsonderzoek
niet heeft kunnen realiseren, is niet maatgevend voor de aanname dat
het onderzoek dus op onzorgvuldige wijze en niet vakbekwaam zou zijn uitgevoerd.
Anders
gezegd: de opdracht tot het verrichten van een vestigingsplaatsonderzoek
is een inspanningsverbintenis en niet een resultaatsverbintenis. Het
Hof Leeuwarden verwijst dan ook nadrukkelijk naar de toepasselijke algemene
voorwaarden van het onderzoeksbureau in kwestie, waarin met zoveel woorden
is geregeld, dat de werkzaamheden van het onderzoeksbureau geen garantie
inhouden met betrekking tot de resultaten daarvan.
Een en ander brengt het
Hof Leeuwarden tot de conclusie dat het onderzoeksbureau zich redelijk
zorgvuldig en vakbekwaam van haar taak heeft gekweten. De
franchisenemer wordt in het ongelijk gesteld.
Hoe goed de franchisenemer
zich ook oriënteert, zich laat voorzien
van adviezen en zich aansluit bij een voortreffelijke franchisegever en
-keten: de franchisenemer is ondernemer, en kan daarbij tegen pech aanlopen.
Pech omdat hijzelf niet blijkt te beschikken over de juiste ondernemerskwaliteiten.
Pech, omdat het economisch tij in het algemeen of van zijn branche tegenzit.
Pech, omdat de loonstijging in de CAO te hoog of op het verkeerde tijdstip
wordt bepaald. Pech, omdat er van overheidswege belemmerende regels of
maatregelen komen. Pech, omdat het slecht weer of juist te mooi weer is.
Pech, omdat er op de wekelijkse koopavond Champions Laegue voetbal is op
TV, en zo meer. Pech hebben betekent per saldo erop achteruitgaan. Pech
hebben betekent niet dat er altijd een ander te vinden is die daaraan schuld
heeft en die daarvoor aansprakelijk is.
Hans Jonkhout |