Over
het simpele feit dat winkels een merk -moeten- zijn is flink geschreven.
Logisch toch? Als er concurrentie is -en dat is er- moet je voorkeur creëren.
En hoe doe je dat? Door je te onderscheiden natuurlijk. Enfin, dat onderscheid
heet identiteit oftewel merkwaarde. Genoeg daar over, want nu begint het
pas.
De prangende vragen zijn: Waar sta ik dan wel binnen dat concurrentieveld?
Wie was ik ook al weer? En ben ik nog wel interessant voor het publiek in dat
veld? Is de perceptie van mijn positie er één van bruisende vitaliteit
of kunnen we het op termijn wel ‘schudden’? Het probleem is daarbij,
dat de keuze van de plek in de markt geen statisch gegeven is. Er is eigenlijk
maar één ‘constante’, één echte zekerheid
in ons (zaken)leven en dat is verandering. Dat betekent, dat het kiezen van
de plek een periodiek ritmisch proces is. Herijken van de zo deftig genoemde ‘positionering’.
Positioneren is net surfen. Je gaat met de golven mee, wijkt af, corrigeert.
Maar je houdt de horizon in de gaten, de uiteindelijke richting. Die richting
is het profiel van de onderneming, dansend op de golven van de conjunctuur
en concurrerende krachten.
Neem Albert Heijn. De pers staat bol van het feit dat ’s lands grootste
kruidenier marktaandeel verliest. Vele deskundologen laten hun licht schijnen
over de zogenaamde ramp die Albert Heijn treft. Het management zou de weg kwijt
zijn. Kletskoek. Albert Heijn heeft indertijd gekozen voor kwalitatieve pluswaarden
bestemd om het dagelijkse leven aantrekkelijk te maken. Het product moet betaalbaar
zijn, maar het formuleaccent is niet prijs. Daar heb je discounters voor. In
een neergaande conjunctuur is prijsoriëntatie primair. Oké, Lidl,
Aldi en Dirk liggen nu meer in de focus van de budgetterende consument en spinnen
er garen bij.
Het marktaandeel van Albert Heijn zakt dus omdat hun plek minder aantrekkelijk
is in een recessie en Albert Heijn legt nu in het brede assortiment meer nadruk
op prijsvarianten als eigen merk en ‘Euroshopper’. Dat is geen
paniek. Dat is het noodzakelijke surfgedrag van de winkelier met focus op de
ooit gekozen horizon. Als de tijden weer beter worden over een paar jaar, klimt
Albert Heijn weer richting 28 procent en hebben de Aldi’s van deze wereld
het nakijken. Kortom er zijn eigenlijk een drietal invalshoeken voor retailmarketing,
te weten voordeel, kwaliteit en het toverwoord ‘leuk’. Nu we de
laatste ons even niet kunnen permitteren, schakelen we door naar de eerste.
Logisch.
Niet voor niets hebben de strategen van Ahold indertijd Schuitema, C1000 dus,
voor driekwart overgenomen. Daarmee is de Ahold positie veiliggesteld, zoals
Vendex dat doet met Hema en Bijenkorf en vele anderen. Goedkopere warenhuizen
zijn indertijd opgericht om de consument in een ‘tangbeweging’ te
kunnen vatten. Goede tijden, slechte tijden in één huis. Galerie
Lafayette in Frankrijk heeft Monoprix, Kaufhof had Kaufhalle en het Zwitserse
warenhuis Globus de keten Au Bon Marché om die reden. Je mag het ook
risicospreiding noemen. Dat alles heeft met de plek in de markt te maken, positionering
dus in goede en slechte tijden.
De criteria die gelden voor de juiste plek zijn divers en veelal afhankelijk
van de branche, het bedrijfstype en het concurrentieveld. Michael Porter, befaamd
marketingwetenschapper in de Verenigde Staten, maakte een model via de criteria
assortimentbreedte en meerwaarde (figuur 1).
Wat je ziet is dat er kennelijk een plek over was, net onder het midden, die
op voortreffelijke wijze is ingevuld door de zogenaamde ‘verticalen’ zoals
Nike, H&M en Zara.
Hadden bedrijven als C&A, P&C en Kreymborg dit gebied geclaimed, dan
zouden ze vitaal en winstgevend geweest zijn. U kent de ontwikkeling. Herijken
van je plek is kennelijk een levensnoodzaak.
Dave Janssen
(groepsvoorzitter van Channel Panel Retailconsultants) |