Pré-contractuele fase,
Prognoses
In de jaren '90 heeft de jurisprudentie met betrekking tot door de franchisenemer
niet behaalde prognoses, een hoge vlucht genomen. Het gaat hier om procedures
die het gevolg zijn van het onvoldoende nakomen van de zorgplicht van de franchisegever
jegens de (kandidaat)-franchisenemer in de pré-contractuele fase, dat wil
zeggen de periode voorafgaande aan het sluiten van een franchiseovereenkomst.
De Europese Erecode inzake Franchising, waaraan leden van de Nederlandse Franchise
Vereniging (NFV) gebonden zijn, bepaalt dat de franchisegever "financiële
ramingen c.q. prognoses indien beschikbaar" aan de franchisenemer ter hand
dient te stellen en dat "de cijfers of de verwachte inkomsten voor de individuele
franchisenemers (…) objectief en niet misleidend mogen zijn.”
Aan de hand van diverse jurisprudentie is de afgelopen jaren een norm geformuleerd
waar een franchisegever jegens de franchisenemer aan dient te voldoen. De franchisegever
is verplicht een kandidaat-franchisenemer in de pré-contractuele fase juist
en volledig te informeren en de financiële mogelijkheden van het te starten
bedrijf zoveel mogelijk in kaart te brengen. Concreet heeft de franchisegever
in deze een verregaande verantwoordelijkheid. Alle uitspraken laten dit beeld
zien. Dit betekent niet dat in alle gevallen de franchisegever zonder meer aansprakelijk
is. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. Voor de
goede orde wordt er op gewezen dat de Hoge Raad deze jurisprudentie in diverse
overwegingen heeft bevestigd, doch in een enige tijd geleden concreet voorgelegde
zaak niet heeft gehonoreerd. De reden hiervoor bleek gelegen in de omstandigheden
van het geval, gerelateerd aan de juridische grondslagen die gekozen zijn bij
het aanbrengen van de kwestie bij de Hoge Raad.
Ook 2003 kent reeds uitspraken die de in de jaren '90 ontwikkelde leer onverkort
en geheel bevestigen. Aan prognoses dient een grondig en goed uitgevoerd vestigingsplaats-
en marktonderzoek ten grondslag te liggen. De franchisegever dient voorts onder
alle omstandigheden te verifiëren of de prognose in kwestie een realistische
verwachting schetst. Dit wordt niet anders wanneer een kandidaat-franchisenemer
zou aandringen op een al te optimistische prognose, bijvoorbeeld ter verkrijging
van bankfinanciering. Wanneer de franchisegever daarvan op de hoogte is, is hij
aansprakelijk wanneer hij de kandidaat-franchisenemer dan wel de bank niet weerhoudt
van handelen op basis van deze verkeerde informatie. Een zeer verregaande aansprakelijkheid
dus; er is echter geen sprake van zogeheten risicoaansprakelijkheid, waarbij de
franchisegever hoe dan ook aansprakelijk is. Een zorgvuldige en genuanceerde afweging
is te allen tijde dus geïndiceerd.
Mededinging
Met name na de invoering van de nieuwe Mededingingswet (1998) is dit thema in
franchiserelaties steeds meer in de belangstelling komen te staan. Voor 1998 was
dit thema overigens al evenzeer van belang, maar kreeg niet altijd de aandacht
die het toen ook al wel verdiende. Aan de hand van de nieuwe Mededingingswet,
alsmede door de oprichting van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), is
het mededingingsbeleid in de praktijk echter steeds prominenter geworden. Concreet
betekent dit dat franchiseorganisaties duidelijke en heldere keuzes dienen te
maken op mededingingstechnisch relevante gebieden zoals exclusieve afname en (maximum)
prijsbindingclausules. Gelukkig is de Europese Commissie de franchisepraktijk
ter wille geweest door het ontwikkelen van enige heldere regelgeving, voorzien
van uitgebreide toelichting, op dit terrein. Tezamen met de toename van uitspraken
van diverse rechters en het beleid van de NMa is op deze wijze een voor de franchisepraktijk
heel werkbare situatie ontstaan. Zo zijn exclusieve afnamebedingen in ieder geval
voor vijf jaar toegestaan. Daarna zijn er diverse mogelijkheden. Verticale prijsbinding
was en is niet toegestaan. Nieuw is echter wel dat franchisenemers gebonden kunnen
worden aan maximumverkoopprijzen. Hierbij verstrekt de franchisegever aan de franchisenemer
de consumentenprijzen waartegen de franchisenemer de producten ten hoogste mag
verkopen. Hierbij is wel van belang dat de franchisenemer de mogelijkheid dient
te hebben ook daadwerkelijk lagere prijzen te vragen, met behoud van een reëel
ondernemersresultaat. Kortom: een maximumprijsregeling mag niet indirect het effect
hebben van een vaste prijsregeling. Dit is het geval wanneer er in de praktijk
geen enkele flexibiliteit naar beneden zou bestaan.
Zelfstandig ondernemerschap
In de jaren '90 hebben diverse uitspraken met betrekking tot het eventuele risico
van een fictieve dienstbetrekking in de ogen van de relevante Uitvoeringsinstelling
(voorheen bedrijfsvereniging) en de Fiscus geleid tot een helder beoordelingskader
waaraan de franchiserelatie dient te voldoen. In alle gevallen is het van belang
dat de franchisenemer in de gelegenheid wordt gesteld zich te laten vervangen
en dus niet de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst persoonlijk dient uit
te voeren. Dat kan al snel het geval zijn wanneer er sprake is van personeel dat
feitelijk de franchiseovereenkomst voor een belangrijk deel uitvoert, zeker wanneer
er sprake is van een bedrijfsleider naast de franchisenemer. Daarnaast is van
belang dat partijen daar waar mogelijk gelijkwaardige partners zijn, overigens
zonder het aantasten van de uit de aard van de zaak verticale franchiserelatie,
waarbij de franchisegever in beginsel de dominante partij is. Hij stelt immers
het franchisesysteem ter beschikking en de franchisenemer is hier hoe dan ook
aan gebonden. De gelijkwaardigheid van partijen wordt bijvoorbeeld bevorderd door
een goed functionerende franchiseraad. Voorts is inzichtelijkheid in forse, nieuw
te plegen investeringen, zoals bij een complete restyling van een winkel, en goede
afspraken hieromtrent, een element dat de positie van de franchisenemer als zelfstandig
ondernemer bekrachtigt.
Geschillenbeslechting
De afgelopen decade is een begin gemaakt met regulering van geschillenbeslechting.
Voorheen kenden de meeste franchiseovereenkomsten grofweg twee mogelijkheden:
een gang naar de gewone rechter of arbitrage, waarbij partijen ieder een arbiter
dienden voor te dragen die gezamenlijk een derde arbiter benoemden, dan wel dat
deze door de Kamer van Koophandel werd benoemd.
Door de NFV is een geschillenregeling in het leven geroepen die in de eerste plaats
bemiddeling tussen franchisegever en franchisenemer mogelijk maakt. Deze bemiddeling,
ook wel mediation genaamd, biedt partijen de mogelijkheid onder leiding van een
deskundig en daartoe gespecialiseerd bemiddelaar hun geschil in goed overleg op
te lossen. Daarbij kan continuering van de relatie het uitgangspunt vormen. Voorts
bestaat de mogelijkheid, eventueel nadat is gebleken dat partijen er na mediation
toch niet uitkomen, geschillen voor te leggen aan het Nederlandse Arbitrage Instituut
dan wel de weg naar de gewone rechter te bewandelen.
Mr. Th. R. Ludwig |
Algemeen
Naast de toename van informatie heeft de toegankelijkheid tot de diverse deelgebieden,
zoals omschreven, de ontwikkelingen gedicteerd. Overigens komen er bij het ontwikkelen
en beoordelen van de franchiserelatie ook andere deelgebieden kijken, zoals huurrecht,
goodwill en intellectueel eigendomsrecht. Van belang is echter dat het optuigen
en uitbouwen van een franchiseovereenkomst en een franchiseorganisatie bepaald
niet problematisch behoeft te zijn. Wel dienen partijen hun huiswerk goed te doen
en bij een eventueel conflict zich tenminste serieus te verdiepen in de positie
van de wederpartij. In die situatie is de franchisegever overigens verplicht de
franchisenemer actief advies en bijstand te verlenen. Langs deze weg kunnen eventuele
problemen wellicht tijdig worden onderkend en opgelost. |