De feiten
In 1994 sluiten twee partijen voor vijf jaar een overeenkomst met betrekking tot
het uitbaten door de franchisenemer van een winkel -gelegen in een winkelcentrum-
op basis van een voorafgaand onderzoeksrapport, opgesteld door een onafhankelijk
adviesbureau. De omzet van de franchisenemer bleef van meet af aan sterk achter
ten opzichte van de initiële prognose van het adviesbureau. De twee partijen
beslissen hun overeenkomst vanaf 1 januari 1996 voort en vroegtijdig te beëindigen.
De franchisegever heeft de vestiging in eigen beheer verder gezet. De franchisenemer
heeft de franchisegever in 1996 gedagvaard voor betaling van schadevergoeding
met als reden dat deze laatste tekort geschoten is in de uitvoering van de franchiseovereenkomst,
namelijk door het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, op basis van
een foutief 'vestigingsplaatsonderzoek' en de daarop gebaseerde winstverwachtingen.
Opeenvolgende procedures
In de eerste aanleg heeft de rechtbank in haar eindvonnis beslist dat de omzetprognose
feitelijk 'onjuist' is en dat het rapport 'onvoldoende deugdelijk' is qua feiten,
alsmede onvolledig qua motivering in de slotconclusie. Volgens deze rechter had
de franchisenemer bij een meer juiste omzetprognose geen franchisecontract of
althans geen contract tegen dezelfde voorwaarden gesloten. De franchisegever is
direct in beroep gegaan tegen de twee vermelde vonnissen. Het Hof van Beroep heeft
de vorige uitspraken bekrachtigd, echter op basis van een andere, bondige motivering:
voorzover het vestigingsverslag van het dossier een onjuiste voorstelling zou
geven, is dit niet aan de franchisegever te wijten, dus ook niet aan diens tekortkoming.
Ontevreden over deze uitspraak heeft de franchisenemer dan ook beroep in Cassatie
ingesteld met als argument: op basis van redelijkheid en billijkheid dient de
prognose, die de franchisegever precontractueel verschaft, te steunen op een deugdelijk
onderzoek.
Wat heeft de Hoge Raad beslist?
Voor de omschrijving van het begrip 'franchising' wordt verwezen naar de EG Verordening
4087/884. Uit de opvatting van redelijkheid en billijkheid is niet algemeen af
te leiden dat de franchisegever de plicht heeft de franchisenemer vooraf in te
lichten omtrent de omzet en/of winstverwachtingen. 'Bijzondere omstandigheden'
kunnen dergelijke plicht wel meebrengen, doch het Hof heeft ze in dit geval niet
kunnen vaststellen. Het Hof leidt hieruit af dat er dan ook geen sprake kan zijn
van een tekortkoming van de franchisegever op dit punt, noch dus van een schadevergoeding.
Het feit dat de franchisegever een rapport over de te verwachten omzet en winst
heeft bezorgd aan de franchisenemer, brengt niet met zich mee dat op hem als franchisegever
dergelijke een plicht rust. De franchisegever handelt echter wel onrechtmatig
als hij een dergelijk rapport overhandigt, wetende dat het ernstige fouten bevat
en dat hij de franchisenemer hiervan niet op de hoogte brengt.
De vraag of de franchisegever aansprakelijk is wegens 'onrechtmatige daad', omwille
van het verschaffen van het door het adviesbureau opgestelde rapport is niet te
beoordelen, daar dit argument niet is aangehaald door de partijen als argument
in deze procedure. Evenmin bespreekt de Hoge Raad of de franchisenemer door het
verslag al dan niet in 'dwaling' werd gebracht, vermits appellant dit middel niet
opwerpt.
In België
"In België wordt door rechtsleer en rechtspraak meer en meer verwezen
naar het begrip 'goede trouw' waarbij de franchisegever gehouden is tot een precontractuele
plicht ten opzichte van de franchisenemer. De rechtspraak gaat zover dat elke
franchisegever 'impliciet' en ook moreel (cfr.Deontologische Code) ertoe gehouden
is bij de onderhandelingen alle nuttige informatie te verstrekken aan elke kandidaat-franchisenemer.
Is er in de Nederlandse rechtspraak geen gelijkwaardig begrip, naast dwaling?
Is het niet zo dat indien de franchisegever zelf initiatief neemt om het verslag
over te maken, hij zelf ook een 'vrijwillige verbintenis' desbetreffende aangaat?
Tenslotte zegt de uitspraak dat de franchisegever aansprakelijk is indien hij
weet dat het rapport dat hij bezorgt fout(en) inhoudt. Dit lijkt op een contradictio
in terminis: het is toch inherent aan de precontractuele informatieplicht dat
de verstrekte informatie te goeder trouw is opgesteld met een zo hoog mogelijk
juistheidgehalte. Slechts dan is sprake van echte informatie."
Slotbeschouwing
De Hoge Raad in Nederland en het Hof van Cassatie in België beschikken beiden
over voortreffelijke juristen. Wat echter te vaak opvalt is dat deze hogere rechtsmacht,
hetzij wegens gebrek aan voldoende informatie van de partijen, hetzij wegens gebrek
aan voldoende opleiding in gespecialiseerde materies zoals franchising, uitspraken
doen die niet altijd stroken met de economische realiteit.
Door een blijkbaar gebrek aan technische informatie en concrete kennis van deze
materie en de feitelijke omstandigheden van het geschil, neemt de Hoge Raad een
uiterst merkwaardige beslissing, zeker indien ze bekeken wordt tegen de rechtsregels
van vele andere landen. Gelet op het voorgaande, is het mijn mening dat partijen
bij een franchisecontract eerder de mogelijkheid overwegen om hun eventuele problemen
te onderwerpen aan privé-arbitrage: dit is kwalitatief goed, snel en discreet.
Tom Commeine |
Commentaar van Meester Olivier Vaes
Merkwaardig
"Deze uitspraak van de Hoge Raad is merkwaardig om diverse redenen. In de
eerste plaats omdat, volgens goede bronnen, deze uitspraak is gedaan zonder dat
de franchiseovereenkomst zelf is voorgelegd aan de rechtbank. Het is onbegrijpelijk
dat in zulke belangrijke en gespecialiseerde materie wordt gedebatteerd en uitspraak
gedaan wordt zonder de geciteerde principes te toetsen aan de realiteit van deze
-immers zeer dynamische en evolutieve- franchisematerie. De vrij abstracte stijl
en inhoud van de uitspraak is hier wellicht niet vreemd aan. Inderdaad beperkt
de Hoge Raad haar bijdrage inzake franchising tot een verwijzing naar het –inmiddels
uitgedoofde– Europese Reglement inzake definiëring van dit begrip.
Met geen woord wordt gerept over de andere rechtsbronnen, zoals de Europese Deontologische
Code, de nieuwe Europese Verordening van 1999.
Het valt mij wel op dat de franchisegever, tegen de heersende internationale trend
in, principieel wordt ontlast van elke informatieplicht omtrent omzet- en winstprognose.
De Hoge Raad maakt dan wel uitzondering voor 'uitzonderlijke omstandigheden',
zonder dit begrip echter te definiëren en hij beperkt zich ertoe vast te
stellen deze niet te hebben gevonden. Hebben partijen en de Hoge Raad dit belangrijk
aspect wel voldoende uitgediept en gedebatteerd?" |