Eerder in Franchise+ 2/2003 :: april 2003 Terug naar het overzicht
 
De precontractuele informatieplicht in Nederland
Ging de Nederlandse Hoge Raad de mist in?!
Ook voor Belgische juristen is de recente uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad (de evenknie van het Belgische Hof van Cassatie) belangrijk nieuws, te meer daar franchising in van geen beide landen wettelijk is gereglementeerd. In België zijn er onlangs niet minder dan een viertal wetsvoorstellen/-ontwerpen, waarvan geen enkel echter effectief wet is geworden. Op 25 januari 2002 heeft de Nederlandse Hoge Raad uitspraak gedaan omtrent de informatieplicht van de franchisegever ten opzichte van de franchisenemer in het kader van een franchiseovereenkomst. Deze uitspraak zal Meester Olivier Vaes (advocaat-partner Van Rompaey & Vaes, België) toelichten.
 

De feiten
In 1994 sluiten twee partijen voor vijf jaar een overeenkomst met betrekking tot het uitbaten door de franchisenemer van een winkel -gelegen in een winkelcentrum- op basis van een voorafgaand onderzoeksrapport, opgesteld door een onafhankelijk adviesbureau. De omzet van de franchisenemer bleef van meet af aan sterk achter ten opzichte van de initiële prognose van het adviesbureau. De twee partijen beslissen hun overeenkomst vanaf 1 januari 1996 voort en vroegtijdig te beëindigen.
De franchisegever heeft de vestiging in eigen beheer verder gezet. De franchisenemer heeft de franchisegever in 1996 gedagvaard voor betaling van schadevergoeding met als reden dat deze laatste tekort geschoten is in de uitvoering van de franchiseovereenkomst, namelijk door het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, op basis van een foutief 'vestigingsplaatsonderzoek' en de daarop gebaseerde winstverwachtingen.

Opeenvolgende procedures
In de eerste aanleg heeft de rechtbank in haar eindvonnis beslist dat de omzetprognose feitelijk 'onjuist' is en dat het rapport 'onvoldoende deugdelijk' is qua feiten, alsmede onvolledig qua motivering in de slotconclusie. Volgens deze rechter had de franchisenemer bij een meer juiste omzetprognose geen franchisecontract of althans geen contract tegen dezelfde voorwaarden gesloten. De franchisegever is direct in beroep gegaan tegen de twee vermelde vonnissen. Het Hof van Beroep heeft de vorige uitspraken bekrachtigd, echter op basis van een andere, bondige motivering: voorzover het vestigingsverslag van het dossier een onjuiste voorstelling zou geven, is dit niet aan de franchisegever te wijten, dus ook niet aan diens tekortkoming. Ontevreden over deze uitspraak heeft de franchisenemer dan ook beroep in Cassatie ingesteld met als argument: op basis van redelijkheid en billijkheid dient de prognose, die de franchisegever precontractueel verschaft, te steunen op een deugdelijk onderzoek.

Wat heeft de Hoge Raad beslist?
Voor de omschrijving van het begrip 'franchising' wordt verwezen naar de EG Verordening 4087/884. Uit de opvatting van redelijkheid en billijkheid is niet algemeen af te leiden dat de franchisegever de plicht heeft de franchisenemer vooraf in te lichten omtrent de omzet en/of winstverwachtingen. 'Bijzondere omstandigheden' kunnen dergelijke plicht wel meebrengen, doch het Hof heeft ze in dit geval niet kunnen vaststellen. Het Hof leidt hieruit af dat er dan ook geen sprake kan zijn van een tekortkoming van de franchisegever op dit punt, noch dus van een schadevergoeding. Het feit dat de franchisegever een rapport over de te verwachten omzet en winst heeft bezorgd aan de franchisenemer, brengt niet met zich mee dat op hem als franchisegever dergelijke een plicht rust. De franchisegever handelt echter wel onrechtmatig als hij een dergelijk rapport overhandigt, wetende dat het ernstige fouten bevat en dat hij de franchisenemer hiervan niet op de hoogte brengt.
De vraag of de franchisegever aansprakelijk is wegens 'onrechtmatige daad', omwille van het verschaffen van het door het adviesbureau opgestelde rapport is niet te beoordelen, daar dit argument niet is aangehaald door de partijen als argument in deze procedure. Evenmin bespreekt de Hoge Raad of de franchisenemer door het verslag al dan niet in 'dwaling' werd gebracht, vermits appellant dit middel niet opwerpt.

In België
"In België wordt door rechtsleer en rechtspraak meer en meer verwezen naar het begrip 'goede trouw' waarbij de franchisegever gehouden is tot een precontractuele plicht ten opzichte van de franchisenemer. De rechtspraak gaat zover dat elke franchisegever 'impliciet' en ook moreel (cfr.Deontologische Code) ertoe gehouden is bij de onderhandelingen alle nuttige informatie te verstrekken aan elke kandidaat-franchisenemer. Is er in de Nederlandse rechtspraak geen gelijkwaardig begrip, naast dwaling? Is het niet zo dat indien de franchisegever zelf initiatief neemt om het verslag over te maken, hij zelf ook een 'vrijwillige verbintenis' desbetreffende aangaat? Tenslotte zegt de uitspraak dat de franchisegever aansprakelijk is indien hij weet dat het rapport dat hij bezorgt fout(en) inhoudt. Dit lijkt op een contradictio in terminis: het is toch inherent aan de precontractuele informatieplicht dat de verstrekte informatie te goeder trouw is opgesteld met een zo hoog mogelijk juistheidgehalte. Slechts dan is sprake van echte informatie."

Slotbeschouwing
De Hoge Raad in Nederland en het Hof van Cassatie in België beschikken beiden over voortreffelijke juristen. Wat echter te vaak opvalt is dat deze hogere rechtsmacht, hetzij wegens gebrek aan voldoende informatie van de partijen, hetzij wegens gebrek aan voldoende opleiding in gespecialiseerde materies zoals franchising, uitspraken doen die niet altijd stroken met de economische realiteit.
Door een blijkbaar gebrek aan technische informatie en concrete kennis van deze materie en de feitelijke omstandigheden van het geschil, neemt de Hoge Raad een uiterst merkwaardige beslissing, zeker indien ze bekeken wordt tegen de rechtsregels van vele andere landen. Gelet op het voorgaande, is het mijn mening dat partijen bij een franchisecontract eerder de mogelijkheid overwegen om hun eventuele problemen te onderwerpen aan privé-arbitrage: dit is kwalitatief goed, snel en discreet.

Tom Commeine

 
Commentaar van Meester Olivier Vaes
Merkwaardig
"Deze uitspraak van de Hoge Raad is merkwaardig om diverse redenen. In de eerste plaats omdat, volgens goede bronnen, deze uitspraak is gedaan zonder dat de franchiseovereenkomst zelf is voorgelegd aan de rechtbank. Het is onbegrijpelijk dat in zulke belangrijke en gespecialiseerde materie wordt gedebatteerd en uitspraak gedaan wordt zonder de geciteerde principes te toetsen aan de realiteit van deze -immers zeer dynamische en evolutieve- franchisematerie. De vrij abstracte stijl en inhoud van de uitspraak is hier wellicht niet vreemd aan. Inderdaad beperkt de Hoge Raad haar bijdrage inzake franchising tot een verwijzing naar het –inmiddels uitgedoofde– Europese Reglement inzake definiëring van dit begrip. Met geen woord wordt gerept over de andere rechtsbronnen, zoals de Europese Deontologische Code, de nieuwe Europese Verordening van 1999.
Het valt mij wel op dat de franchisegever, tegen de heersende internationale trend in, principieel wordt ontlast van elke informatieplicht omtrent omzet- en winstprognose. De Hoge Raad maakt dan wel uitzondering voor 'uitzonderlijke omstandigheden', zonder dit begrip echter te definiëren en hij beperkt zich ertoe vast te stellen deze niet te hebben gevonden. Hebben partijen en de Hoge Raad dit belangrijk aspect wel voldoende uitgediept en gedebatteerd?"
 
Een debat zou hieruit van start kunnen gaan: graag reactie van de lezer (o.vaes@vanrompaey-vaes.be).