Eerder in Franchise+ 1/2003 :: februari 2003 Terug naar het overzicht
 
Juridisch
Franchise & investeringen
Tijdens de duur van een franchiseovereenkomst wordt soms verplicht en soms niet verplicht geïnvesteerd in de franchiseformule. Dergelijke ‘ketenwijde’ investeringen zijn bijvoorbeeld vervanging van winkelinrichting, wijziging van assortiment, doorvoeren van automatisering of (interne/externe) verbouwingen. De investeringen worden meestal gedaan met het oog op optimalisering van de formule en daardoor behoud of verbetering van de marktpositie. Investeringen komen dan ook zowel de franchisenemer als de franchisegever ten goede.
 
In dit artikel zal ik nader ingaan op:
•  de ketenwijde investeringen en de verplichting van franchisenemers om daaraan mee te werken,
de individuele investeringen door afzonderlijke franchisenemers en
de mogelijke consequenties van individuele investeringen voor de franchisegever en franchisenemer.
   

Verplicht gestelde ketenwijde investeringen
Indien een franchisegever haar aangesloten franchisenemers wenst te verplichten tot het doen van investeringen, zal een zorgvuldige besluit- en testfase moeten worden doorlopen. Hoewel de meeste franchiseovereenkomsten bepalingen bevatten waarin is opgenomen dat franchisenemers verplicht zijn mee te werken en bij te dragen aan investeringen in de formule, is voor het opleggen van een dergelijke investeringsplicht meer nodig dan een enkele schriftelijke contractuele bepaling.

Indien een franchisegever een ketenwijde investering wenst door te voeren en franchisenemers wenst te verplichten tot het meewerken, uitvoeren en financieren daarvan zal de franchisegever tenminste voldoende overleg met haar franchisenemers moeten voeren. Dit overleg kan plaatsvinden in de franchiseraad of met (het bestuur van) de franchisevereniging. Indien deze organen niet bestaan of indien deze niet alle franchisenemers vertegenwoordigen, zal in principe met de individuele franchisenemers overeenstemming moeten worden bereikt. In het overleg zal inzicht moeten worden gegeven in de wenselijkheid van de investeringen, de kosten daarvan, de verwachte financiële en economische effecten, de omvang en duur van de investeringswerkzaamheden, de gecontracteerde opdrachtnemer, enzovoorts.

   De franchisegever zal
de verwachte effecten
van een ketenwijde
investering vooraf
moeten toetsen

Verder zal een franchisegever de verwachte effecten van een ketenwijde investering tenminste moeten hebben getoetst, waarbij de resultaten zodanig zijn dat de verplicht gestelde investering als verantwoord kan worden aangemerkt. Hierbij moet in eerste instantie gedacht worden aan het testen in een eigen vestiging van de franchisegever.

Indien de aangesloten franchisenemers na de overleg- en testfase akkoord zijn met een voorgenomen investering, zal de franchisegever deze kunnen doorvoeren. Franchisenemers zullen dan in principe mee dienen te werken en bij moeten dragen aan die investeringen waarmee zij hebben ingestemd. Overigens is niet uitgesloten dat in individuele gevallen geen verplichting tot investeren bestaat. Bijvoorbeeld omdat de lokale situatie zich daar niet voor leent of omdat zich bijzondere omstandigheden voordoen (bijvoorbeeld indien er onvoldoende financiële middelen aanwezig zijn).

De verplichting mee te werken en bij te dragen aan ketenwijde investeringen is onder meer gegrond op het belang van herkenbaarheid en eenheid van de formule en op het feit dat de investering aan de gehele keten ten goede komt. Daardoor hebben alle individuele franchisenemers (naast de franchisegever) profijt van de opbrengsten uit die investeringen.

De bijdrage van de franchisegever aan ketenwijde investeringen bestaat behalve uit de voorbereidings- en onderzoekskosten voorts uit het centraal in opdracht geven van de uitvoeringswerkzaamheden waardoor schaal- en inkoopvoordelen ten gunste van franchisenemers kunnen worden benut. Soms draagt de franchisegever daarnaast zelf een deel van de investeringskosten.

   Formule afwijkende
investeringen mogen
pas na toestemming
worden uitgevoerd

Indien franchisenemers niet op de hoogte zijn van voorgenomen investeringsplannen en met die investeringen ook niet akkoord wensen te gaan, zijn franchisenemers niet zonder meer verplicht om mee te werken aan de uitvoering en financiering van eenzijdig opgelegde investeringen. Hetzelfde geldt indien franchisenemers wel op de hoogte zijn maar de voorgenomen investeringen niet of onvoldoende zijn getest en de te verwachten effecten van de voorgenomen verbeteringen dus niet of onvoldoende bekend zijn.

Individuele investeringen
Het kan ook voorkomen dat een franchisenemer op eigen initiatief investeert. Hierbij kan gedacht worden aan de aanschaf van een bepaald (afwijkend) assortiment, aan een interne of externe verbouwing ter vergroting van het verkoopoppervlak of ter verbetering van de uitstraling van de vestiging. De investering komt de individuele franchisenemer ten goede en daardoor ook (in)direct de franchisegever. De vraag is of en wanneer de franchisenemer dergelijke investeringen mag doen.

In de meeste franchiseovereenkomsten is bepaald dat van de formule afwijkende investeringen slechts met toestemming van franchisegever mogen worden uitgevoerd. Het zal van de formule en de aard van de franchise (hard of soft-franchise) afhangen in hoeverre individuele (afwijkende) investeringen zijn toegestaan. Uiteraard is ook de houding van een franchisegever van belang. Zo zal een franchisegever die op de hoogte is van voorgenomen individuele investeringen en daar geen bezwaar tegen maakt niet snel achteraf ongedaanmaking kunnen eisen. Ook kan een rol spelen dat andere franchisenemers binnen de keten bijvoorbeeld wel toestemming voor individuele investeringen kregen.

Indien een individuele investering is gedaan, is vervolgens de vraag of een franchisegever daaraan op enigerleiwijze moet bijdragen. In principe kan een franchisegever daartoe niet worden gedwongen. Niemand kan immers tegen zijn wil in worden gedwongen geld uit te geven. Aan de andere kant profiteert de franchisegever in de meeste gevallen wel van de gedane investering. Na investering maakt franchisenemer immers meer omzet waardoor de inkomsten uit omzetgerelateerde franchisefee’s ook toeneemt. Is het redelijk dat franchisegever enerzijds niet bijdraagt aan investeringskosten, maar anderzijds wel meedeelt in de opbrengsten daarvan?

Conclusie
Voor verplichte ketenwijde investeringen dient franchisegever voorafgaand overleg met franchisenemers te voeren en dient voldoende vast te staan dat de investeringen verantwoord zijn. Voor individuele investeringen dient een franchisenemer voorafgaande toestemming te hebben verkregen; niet protesteren kan als stilzwijgende toestemming worden aangemerkt.

Een franchisegever is in principe niet verplicht tegen zijn wil in bij te dragen in individuele investeringen. Anderzijds kan een geldende franchiseovereenkomst niet zonder meer worden gekopieerd op een gerealiseerde uitbreiding. Indien franchisegever wenst mee te delen in de opbrengsten uit een investering, dan is redelijk dat ook wordt bijgedragen in de kosten. Die consequentie past goed in het idee dat franchising een nauwe samenwerking beoogt gericht op voordeel voor zowel franchisegever als franchisenemer.

mr. C.M. Kan

 

Praktijkvoorbeeld
Een franchisenemer van een supermarktketen wist zelf een uitbreiding te realiseren door middel van een verbouwing en aanhuur van een naastgelegen pand. Het resultaat was dat het verkoopoppervlak van de winkel aanzienlijk werd vergroot en daardoor ook de omzet. Franchisegever was op de hoogte van de uitbreiding en verleende in dat verband actief medewerking (tegen betaling). Franchisegever was niet bereid een financiële bijdrage in de hoge investeringskosten te leveren. Anderzijds wenste franchisegever wel volledig te delen in de opbrengsten van de investering. Daartoe eiste franchisegever dat bepaalde afnameverplichtingen zouden gelden voor de uitbreiding. Eerst toen franchisenemer daarmee niet zonder meer akkoord ging, maakte franchisegever (achteraf) bezwaar tegen die uitbreiding.

 

Kort geding
Franchisegever startte een kort geding bij de Voorzieningenrechter teneinde nakoming van de afnameverplichtingen voor de gehele winkel (dus inclusief de uitbreiding) af te dwingen. Daarbij stelde de franchisegever ook aan de orde dat franchisenemer de uitbreiding zonder toestemming van franchisegever had gerealiseerd. Franchisenemer stelde zich op het standpunt dat voor het uitgebreide gedeelte van de winkel geen afnameverplichtingen golden en dat de investeringen met medeweten en toestemming van franchisegever waren uitgevoerd. De President volgde het betoog van de franchisenemer en wees de vorderingen en stellingen van franchisegever af.