Helaas blijkt dit vaak niet te gebeuren.
Zo zijn er in Nederland vele franchiseovereenkomsten met concurrentiebedingen
die niet voldoen aan de geldende wetgeving voor franchiseovereenkomsten zoals
weergegeven in de Europese Groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten. Kennelijk
zijn deze regels niet alleen voor veel franchiseorganisaties onbekend. Ook rechters
en advocaten zijn nog niet gewend aan de nieuwe groepsvrijstelling die ook op
tal van andere belangrijke punten de verhoudingen tussen franchisenemers en -gevers
beïnvloedt. Een belangrijk voorbeeld daarvan is dat franchiseovereenkomsten
maximaal vijf jaar mogen duren als wordt afgesproken dat de contractsproducten
voor tenminste 80% bij of via de franchisegever moeten worden ingekocht.
| |
Concurrentiebedingen
hebben in de praktijk
weinig kracht |
Recente gevallen in de rechtspraak
Uit recente rechtspraak (Voorzieningenrechter te Utrecht op 24 mei 2002, een zaak
waar ik overigens zelf niet bij betrokken ben geweest) blijkt dat de huidige regeling
voor concurrentiebedingen nadere toelichting behoeft. In deze uitspraak werd een
ex-franchisenemer van Bruna verboden na de beëindiging van de franchiseovereenkomst
onder eigen naam eenzelfde (kantoor-)boekhandel te exploiteren. Partijen waren
blijkens de uitspraak overeengekomen dat de franchisenemer gedurende een jaar
na afloop van de franchiseovereenkomst niet zonder toestemming van de franchisegever
betrokken zou zijn bij een met de Bruna concurrerende onderneming. De kort geding
rechter (die heet inmiddels Voorzieningenrechter) oordeelde dat de ex-franchisenemer
in strijd handelde met het contractuele verbod en bepaalde dat de ex-franchisenemer
zijn onderneming moest staken op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Vereisten voor geldig concurrentiebeding
Logisch zult u denken. Hoewel ik de achtergronden van de zaak niet ken en alleen
kennis heb genomen van de uitspraak, verbaast mij die. In de genoemde groepsvrijstelling
is namelijk bepaald dat een concurrentiebeding aan bepaalde eisen dient te voldoen
wil dit beding geldig zijn. Deze eisen zijn:
– het beding moet betrekking hebben op het verhandelen van goederen of diensten
die concurreren met de contractsgoederen of -diensten en;
– het beding moet beperkt zijn tot de localiteiten en terreinen waar de
franchisenemer gedurende de contractsperiode werkzaam was en;
– het beding moet onmisbaar zijn om de door de franchisegever aan de franchisenemer
overgedragen knowhow te beschermen en;
– het beding mag maximaal een jaar duren.
Uit de voornoemde uitspraak blijkt niet dat het overeengekomen concurrentiebeding
aan deze vereisten getoetst is. Was dat wel het geval geweest, dan zou je verwachten
dat het concurrentiebeding nietig zou zijn verklaard.
| |
Vele franchiseovereenkomsten
met concurrentiebedingen
voldoen niet
aan de geldende wetgeving |
Praktijk
In de praktijk komt het er dus op neer dat concurrentiebedingen weinig kracht
hebben. Een franchisenemer mag bij wijze van spreken een deur verder onder eigen
naam eenzelfde onderneming beginnen als hij heeft gevoerd in een franchiseconstructie.
Bovendien moet de franchisegever ook aantonen dat het concurrentiebeding, dat
is beperkt tot de exploitatie vanuit hetzelfde bedrijfspand, onmisbaar is ter
bescherming van de overgedragen knowhow. Dit is mijns inziens een te zwakke bescherming
van de belangen van de franchisegever, maar vormt wel het huidige recht! Er zijn
wel mogelijkheden om deze regelgeving enigszins op te rekken, maar deze zijn nog
niet beoordeeld door de Nederlandse Mededingingsautoriteit of de rechter.
Advies
Ik raad franchisegevers altijd aan niet alleen een concurrentiebeding op te nemen
in de franchiseovereenkomst, maar ook te bepalen dat dit beding wordt opgelegd
aan de werknemers van de franchisenemer. Indien de franchisenemer een rechtspersoon
is, is het aan te bevelen de bestuursleden in privé te laten tekenen. Bovendien
zijn franchisenemers die kwaad willen creatief. Niet zelden wordt in de weken
na de beëindiging van de franchiseovereenkomst geconstateerd dat de (ex-)franchisenemer
eenvoudigweg zijn oude klanten benadert in een poging deze te winnen voor de nieuwe
onderneming.
| |
Het concurrentiebeding is
een vergaande maatregel
die de commerciële vrijhei
inperkt |
Bewijs
Het leveren van bewijs van overtreding van het concurrentiebeding is soms niet
eenvoudig. Men wil bovendien voorkomen dat de klant betrokken wordt bij het geharrewar.
En de overtreder zal niet snel toegeven dat hij een scheve schaats heeft gereden.
Een voorlopig getuigenverhoor kan mogelijk uitkomst bieden. Daarin worden op verzoek
van een partij die wil bezien of hij kans van slagen heeft in een procedure de
getuigen onder ede verhoord. Vaak is het dwingende oog van de rechter voldoende
om mensen te dwingen de waarheid en niets dan de waarheid te spreken. Wel moet
goed worden nagedacht over de te stellen vragen. Daarbij dient de partij die het
getuigenverhoor heeft verzocht (meestal de franchisegever) zich te realiseren
dat getuigen niet altijd de verwachte antwoorden geven. De hoofdregel bij dit
soort verhoren is dan ook alleen vragen te stellen waarvan het antwoord vast staat.
Conclusie
Het concurrentiebeding is een vergaande maatregel die de commerciële vrijheid
inperkt. Dit is noodzakelijk om de belangen van de franchisegevers te beschermen.
De regels voor concurrentiebedingen zijn duidelijk maar worden niet of nauwelijks
nageleefd, met als gevolg dat als het er echt om gaat spannen, de franchisegever
vaak geen beroep kan doen op het beding. Zoals bij veel contractuele aangelegenheden
zal een zorgvuldige begeleiding en voorbereiding veel problemen kunnen voorkomen.
Dat geldt voor de franchisegever, maar ook voor de franchisenemer.
Mr. Tim van der Maas
Van Diepen Van der Kroef advocaten
Den Haag |