Vrolijk heeft zijn studie in
enkele grote onderdelen gesplitst. In het eerste deel onderzoekt hij op welke
gronden een franchisegever besluit tot franchising of exploitatie met eigen vestigingen.
Dit deel gaat over het verschijnsel dat tal van ondernemingen hun commerciële
formule niet (uitsluitend) met eigen verkoopvestigingen exploiteren, maar contracten
afsluiten met juridisch zelfstandige ondernemers die een deel van de benodigde
exploitatieactiviteiten voor hun rekening nemen. Dit verschijnsel, dat bekend
staat als business format franchising, wordt onderzocht vanuit een institutioneel-economisch
perspectief, dat onder meer wordt gehanteerd in de transactiekostentheorie, de
agencytheorie en de 'resource scarcity' theorie. Waarmee we al direct in de vakterminologie
zijn verzeild.
Vrolijk onderzoekt primair studies uit de Verenigde Staten en gaat na of de uitspraken
die daarin worden gedaan ook gelden voor Nederlandse franchiseorganisaties. Bovendien
onderzoekt hij welke perspectieven en problemen zijn verbonden aan de theoretische
verklaringen van verschillende facetten van het verschijnsel franchising die vanuit
het institutioneel-economische perspectief zijn ontwikkeld. In het bijzonder besteedt
hij aandacht aan de meest dominante stroming binnen de institutionele economie,
de 'incentive' benadering. Volgens deze theoretische benadering is de franchiseconstructie
een incentive structuur waarin de betrokken partijen, de franchisegever en de
franchisenemer, tot bepaalde gedragingen worden geprikkeld. Onder bepaalde omstandigheden
leiden deze gedragingen tot efficiënte uitkomsten, terwijl in andere situaties
allerlei agency- en transactieproblemen ontstaan.
Verder onderzocht Vrolijk in hoeverre het vruchtbaar is onderscheid te maken tussen
verschillende categorieën franchiseorganisaties, uitgaande van de herkomst
van Nederlandse franchisebedrijven.
Franchising groeit
Vrolijk stelt in het eerste deel van zijn studie dat in zijn algemeenheid mag
worden geconcludeerd dat franchising groeit. In termen van aantal franchiseorganisaties
is er alleen sprake van groei in de dienstverlening en de horeca, en is in de
detailhandel (food en non-food) franchising op zijn retour. Hetzelfde geldt wanneer
het aantal franchisevestigingen als maatstaf wordt gebruikt, zij het dat de teruggang
in de detailhandel wat later is ingezet. Wordt gekeken naar de omzet die in franchisevestigingen
wordt gerealiseerd, dan vertoont franchising in alle sectoren nog steeds een sterke
groei.
Belangrijker dan deze absolute groei is de relatieve groei, dus de groei van franchising
versus die van andere organisatievormen. In vergelijking met andere samenwerkingsvormen
is sprake van een sterke groei, vooral wanneer het aantal vestigingen als maatstaf
wordt genomen. Vergeleken met het filiaalbedrijf is franchising echter minder
snel gegroeid.
De tweede vraag betreft de herkomst van deze groei. De groei van franchising werd
vooral gerealiseerd door de oprichting van nieuwe samenwerkingsorganisaties, die
in meerderheid voor de franchiseconstructie kozen. Een andere belangrijke bron
van groei is de exploitatie van franchisevestigingen door organisaties die voorheen
uitsluitend vestigingen in eigen beheer hadden.
Volgens de incentive benadering is de superioriteit van franchising vooral
gelegen in het feit dat deze organisatievorm sterke prikkels tot efficiënt
gedrag bevat. Een franchisenemer is gemotiveerd zich tot het uiterste in te spannen
omdat hij zelf de vruchten plukt van zijn inspanningen; bij een filiaalmanager
is deze motivatie veel zwakker omdat zijn beloning niet rechtstreeks is gekoppeld
aan de resultaten van 'zijn' vestiging. Naast dit belangrijke voordeel zijn er
ook transactie- of agencyproblemen verbonden aan de franchiseconstructie. Zijn
deze problemen relatief groot, dan valt het motivatievoordeel daarbij in het niet
en zal een organisatie geen of betrekkelijk weinig franchisevestigingen exploiteren.
Volgens de incentive benadering zijn er bepaalde omstandigheden aan te wijzen
die voor hoge transactie- of agencyproblemen zorgen. Ondernemingen zullen onder
die omstandigheden relatief weinig franchisevestigingen exploiteren.
Relatie franchisenemer - franchisegever
In deel 2 van de studie besteedt Vrolijk aandacht aan de relatie tussen franchisegever
en franchisenemer en onderzoekt in hoeverre sprake is van een hiërarchische
relatie, waarbij de franchisegever verplichtingen oplegt aan de franchisenemer.
In een ander hoofdstuk gaat hij vooral in op een andere vorm van relatie, waarbij
meer sprake is van een 'ruil' en de franchisenemer tegen een vergoeding gebruik
mag maken van de formule van de franchisegever. Deze vergoeding kennen we als
entreegeld en periodieke franchisebijdragen. Een te hoge entreefee blijkt de groei
van een keten -en daarmee het succes- in de weg te staan. Het blijkt dat Nederlandse
franchisegevers vooral gecharmeerd zijn van franchisenemers die makkelijk kunnen
starten en lage startkosten meebrengen. Uit de onderzochte hypothese blijkt niet
dat een hoog investeringsbedrag een beter selectiecriterium voor franchisenemers
oplevert dan een hoge entreefee.
Vrolijk pleit voor een betere wettelijke bescherming van franchisenemers die
specifieke en omvangrijke investeringen doen en in een kwetsbare positie zitten.
Toepassing van de Europese Erecode vindt hij niet voldoende, omdat niet alleen
de looptijd van de franchiseovereenkomst lang genoeg moet zijn om de franchisenemer
de mogelijkheid te bieden zijn investeringen terug te verdienen (zoals in de Erecode
wordt voorgesteld). Tevens moet de franchisegever zich gedurende deze looptijd
onthouden van gedragingen die deze mogelijkheid teniet doen of aantasten. Interessant
is dat hij het voorstel uit het proefschrift van Van der Heiden (1999) voor een
aparte franchisewet tekort vindt schieten. Volgens Vrolijk zou aanvullende wetgeving
zich enerzijds moeten beperken tot het probleem van de specifieke investeringen
en anderzijds uitgebreid moeten worden tot alle verticale distributie- of samenwerkingsrelaties
waar dit probleem aan de orde is, en niet alleen tot franchiserelaties.
Conclusie
Vrolijk heeft een geheel eigen benadering van de franchiseproblematiek gekozen,
wat niet alleen is te waarderen, maar tevens het inzicht voor de geïnteresseerden
vergroot. Het is jammer dat ook hier weer blijkt dat het moeilijk is in ons land
voldoende kwaliteit en kwantiteit aan basismateriaal te vergaren om alle veronderstellingen
voldoende te onderbouwen en steeds echte uitspraken te doen. Vrolijk doet nuttige
aanbevelingen aan zowel franchisegevers als -nemers en geeft en passant een rechter
adviezen hoe hij de franchiserelatie dient te beoordelen in conflictgevallen.
Iets waarmee beide partijen in de franchiserelatie al op voorhand rekening kunnen
houden. Hoewel het proefschrift geen gemakkelijke kost is, komt Vrolijk op grond
van zijn onderzoekingen tot enige goed onderbouwde praktische aanbevelingen, die
zeker de aandacht verdienen.
Jan C. Bezemer |