De Hoge Raad heeft begin dit
jaar een belangrijke uitspraak gedaan over een vaak voorkomend geschil in de franchisepraktijk
(HR, 25 januari 2002, nr.21). Kort gezegd gaat de Hoge Raad in op de vraag óf
en ín hoeverre er op de franchisegever de verplichting rust de franchisenemer
in te lichten over de omzet- of winstverwachting in de precontractuele fase.
De feiten
De franchisegever, Lampenier, sluit een franchisecontract met een franchisenemer.
De franchisenemer besluit daartoe op basis van een door franchisegever verstrekt
vestigingsplaatsonderzoek, dat door een onafhankelijk bureau is opgesteld. In
dit, in opdracht van Lampenier verrichte onderzoek staat een ‘prognose’
genoemd. Na opening van de winkel blijft de omzet sterk achter bij de prognose
uit het vestigingsplaatsonderzoek. Door een blijvend slechte omzet, wordt na twee
jaar in onderling overleg de franchiseovereenkomst voortijdig beëindigd.
De ex-franchisenemer vordert vergoeding van de schade als gevolg van het achterblijven
van de omzet. In eerste aanleg krijgt de franchisenemer gelijk. De rechtbank oordeelt
dat Lampenier op een wezenlijk punt als de te verwachten omzet, een onjuiste voorstelling
van zaken heeft verschaft.
In appèl oordeelt het Hof dat de fouten niet aan Lampenier zijn toe te
rekenen, daar het rapport door een derde is gemaakt en wordt de vordering alsnog
afgewezen. De franchisenemer kan zich niet met de uitspraak van het Hof verenigen
en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad laat de uitspraak van het Hof
in tact. De franchisenemer krijgt ongelijk.
Informatieplicht
De Hoge Raad geeft een duidelijk antwoord op de vraag of er op de franchisegever
in het algemeen de verplichting rust de franchisenemer in te lichten over de omzet-
of winstverwachting. Het antwoord is neen. De Hoge Raad zegt het als volgt:
"Uit hetgeen redelijkheid en billijkheid eist, in verband met de aard van
de franchiseovereenkomst, vloeit niet de algemene regel voort dat op de franchisegever
een verbintenis rust om de franchisenemer in te lichten omtrent de te verwachten
omzet of omtrent de winstverwachting". Bijzondere omstandigheden kunnen een
zodanige verbintenis wel met zich meebrengen. Uit de enkele omstandigheid dat
een partij bij onderhandelingen die aan het sluiten van een franchiseovereenkomst
voorafgaan, de ander een rapport (vestigingsplaatsonderzoek) over de te verwachten
omzet en de te verwachten winst heeft verschaft, kan niet worden afgeleid dat
een daartoe strekkende verbintenis op eerstgenoemde rust. Wel zal de franchisegever
die een zodanig rapport aan zijn wederpartij verschaft, onder omstandigheden onrechtmatig
handelen indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij
niet op deze fouten opmerkzaam maakt. Ingeval de franchisenemer door een hem door
de franchisegever verschaft rapport omtrent de te verwachten omzet/winst in dwaling
is komen te verkeren als gevolg van fouten die dit rapport bevat, is in beginsel
vernietiging op grond van dwaling mogelijk, ongeacht of de fouten zijn toe te
rekenen aan de franchisegever zelf dan wel aan een of meer derden".
Bestudering van de lagere rechtspraak over omzetprognoses leert dat gehonoreerde
claims met name zijn gebaseerd op toerekenbare tekortkomingen of onrechtmatig
gedrag van de betrokken franchisegever, lees: onzorgvuldig, onjuist en/of niet
onderbouwde prognoses. Op basis van deze lagere rechtspraak wordt nogal eens gezegd
of gesuggereerd dat er een verplichting rust op franchisegever omzetprognoses,
vaak gebaseerd op een vestigingsplaatsonderzoek, aan franchisenemer ter beschikking
te stellen in de precontractuele fase. De Hoge Raad stelt dat de franchisegever
in het algemeen niet verplicht is omzetprognoses af te geven.
Dit laat onverlet dat er in de precontractuele fase informatie- en onderzoeksplichten
gelden voor beide partijen. De franchisegever dient in dat kader die informatie
over de franchiseformule te verstrekken, die de kandidaat-franchisenemer in staat
stelt met volledige kennis van zaken een bindende overeenkomst aan te gaan, zo
stelt de Europese Erecode inzake franchising. Volgens deze Europese Erecode is
de franchisegever conform artikel 3.3 gehouden volledige en correcte informatie
en documentatie te verschaffen over 10 onderwerpen over de franchiseverhouding.
Het 5de genoemde onderwerp luidt: ‘financiële ramingen c.q. prognoses,
indien beschikbaar’. De Europese Erecode spreekt dus niet over een verplichting
financiële ramingen c.q. prognoses te verstrekken.
Hoe dienen partijen in de precontractuele fase om te gaan met te verstrekken
en aangereikte omzetprognoses? Gunstige omzetprognoses en winstprognoses, bij
voorkeur gebaseerd op een vestigingsplaatsonderzoek, stimuleren onmiskenbaar het
totstandkomen van de franchiseovereenkomst. Echter, zowel franchisegever als franchisenemer
zijn erbij gebaat een zekere terughoudendheid te betrachten bij het opstellen
en hanteren van financiële omzet- en winstprognoses. Van belang is of er
sprake is van een startende of een gevestigde franchiseketen.
Levensfase
Voor startende franchiseketens is het vaak niet mogelijk om een evenwichtige omzet-
of winstprognose af te geven, omdat de noodzakelijke informatie ontbreekt. Indien
er geen of onvoldoende financiële gegevens beschikbaar zijn, doet de franchisegever
er goed aan ook geen prognoses te verstrekken. Uit het oogpunt van te verwachten
claims, is zwijgen dan veel beter dan spreken.
Gevestigde franchiseketens dienen zorgvuldig, conservatief en terughoudend
om te gaan met het verstrekken van omzet- of winstprognoses voor franchisevestigingen,
als dit al gewenst is. Een alternatief is de kandidaat-franchisenemer te wijzen
op de gemiddelde gerealiseerde omzetten van bestaande franchisenemers in (enigszins)
vergelijkbare omstandigheden of een algemeen exploitatiemodel te verstrekken.
Een vast gegeven is evenwel dat er steeds onvoorziene, maar ook voorziene omstandigheden
zijn die het geprognosticeerde resultaat negatief (kunnen) beïnvloeden. Voorziene
omstandigheden zijn bijvoorbeeld: opgebroken aanloopwegen van een winkel of de
wetenschap dat de omzetontwikkeling in een regio achterblijft, ten opzichte van
andere regio’s. Onvoorziene omstandigheden houden vaak verband met negatieve
marktontwikkelingen, de vestiging van een concurrent, de exploitatiewijze door
de franchisenemer of het niet (kunnen) functioneren van de franchisenemer.
Uitgangspunt is steeds dat de franchisenemer uitsluitend zelf verantwoordelijk
is voor de omzetprognose, die is gebaseerd op zijn verkoopinspanningen van het
product of de dienst. Een gefranchised product verkoopt zichzelf niet.
Eigen verantwoordelijkheid
Ook in de Lampenier zaak stelt het Hof dat een vestigingsplaatsonderzoek de franchisenemer
niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid voor het inschatten van zijn
ondernemersrisico en een kritische beoordeling van de gegeven prognose. In dat
kader gelden er voor de kandidaat-franchisenemer onderzoeksplichten.
Optimale en betrouwbare (financiële) informatie verschaffen aan de franchisenemer
is ook in het belang van de franchisegever. Het is zaak dat de franchisegever
de omzet- en winstprognoses op een zorgvuldige en objectieve wijze communiceert,
waarbij ook de hiervoor genoemde (on)voorziene omstandigheden de aandacht verdienen.
Bij het in acht nemen van wederzijdse informatie- en onderzoeksplichten mogen
partijen in de regel afgaan op informatie en/of verklaringen van de wederpartij.
Daarbij dienen beide partijen kritisch te kijken naar de omzet- of winstprognoses.
Een verplichting om omzet- of winstprognoses af geven is er niet. Gelet op voorafgaande
aandachtspunten kan zwijgen over winstprognoses vaak beter zijn dan er over te
spreken.
mr. Jeroen Janssen |