Artikel 1 beschrijft het franchisecontract.
Mr. Vaes: "Hier vinden we een klassieke definitie, zoals in de Europese Verordening,
echter met uitzondering van het geheime karakter van de formule en men laat ook
het begrip 'Intellectuele Rechten' vallen, wat een flinke afzwakking is van de
knowhow van de franchisegever." Arnaud le Grelle merkt op dat de definitie
in feite veel meer omvat dan wat verstaan wordt onder zuiver franchise. "De
bedoeling van de wetgeving zou zijn een specifieke garantie te geven aan zelfstandigen
die moeten investeren." Jan de Sutter merkt hierbij op: "Deze definitie
omvat eigenlijk alle vormen van samenwerking tussen zelfstandigen waarbij er een
investering dient te worden gedaan door de zogenoemde franchisenemer; en dit in
analogie met de Wet Doubin in Frankrijk die ook voor alle samenwerkingsvormen
geldt, wat weinigen overigens weten."
Artikel 2 handelt over de precontractuele informatieverstrekking. Leden van de
BFF dienen reeds zo'n informatiepakket aan te bieden. De franchisegever zal, uiterlijk
15 dagen voor het ondertekenen van het contract, een compleet schriftelijk informatiepakket
van de formule beschikbaar moeten stellen. Het niet-mededelen van deze informatie
zal een zware tekortkoming zijn. Een van de gevolgen zou zijn dat de franchisenemer
het contract lastens franchisegever binnen de twee jaar na aanvang van de overeenkomst
mag beëindigen.
Nieuw in de franchisewereld?
Artikel 5 bepaalt dat een contract gesloten mag worden voor bepaalde of onbepaalde
duur. Mr. Vaes: "Nieuw hierbij is dat de termijn van het contract de franchisenemer
moet toelaten zijn startinvestering te dekken." Arnaud le Grelle: "Over
het principe is er geen probleem, dat staat reeds in de Europese Deontologische
Erecode over Franchising, een tekst die reeds 25 jaar oud is. Wij vragen ons wel
af hoe men dit hier in detail zal omschrijven."
Artikel 6 is een nieuwe bepaling over royalty's die is geïnspireerd door
de Wet op de Handelshuurovereenkomsten. Mr. Vaes: "Bij het verstrijken van
iedere periode van drie jaar heeft elke partij het recht om aan de rechtbank de
herziening te vragen van de vergoeding (royalty's) die verschuldigd is aan de
franchisegever, op basis van nieuwe omstandigheden. (...) Indien de beoogde vergoeding
minder of meer dan 25% van de vorige vergoeding zou bedragen, heeft elke partij
het recht om het contract te beëindigen, mits een opzegtermijn van 90 dagen
wordt aangehouden, tenzij de begunstigde partij schriftelijk aanvaardt de vorige
vergoeding te beperken tot 25%. Deze bepaling roept om moeilijkheden volgens mij."
De BFF pleit ervoor dat de initiatiefnemers deze bepaling herzien.
(streamer) "Deze bepaling roept om moeilijkheden volgens mij."
| |
 |
"Artikel 7 werd dan weer geïnspireerd door de Concessiewet van 1961.
Nieuw zou zijn dat de franchisenemer het recht zou hebben op een vergoeding voor
de klantenkring. Deze vergoeding zou bestaan uit de meerwaarde voor het cliëntèle
en de publiciteitskosten. Zij zou echter niet meer dan zes maanden vergoeding
van de franchisegever mogen overschrijden, op basis van de vergoeding van de drie
laatste jaren," zegt mr. Vaes, "deze vergoeding zou ook niet verschuldigd
zijn indien de franchisenemer zelf een einde maakt aan het franchisecontract,
anders dan om zware tekortkomingen van de franchisegever of indien het contract
ten einde komt ten gevolge een zware fout van de franchisenemer. De franchisegever
zal wel verplicht zijn om de voorraad van producten van de franchisenemer over
te nemen." De heer Le Grelle heeft ook hier enkele opmerkingen bij: "Het
is helemaal niet volgens de filosofie van een franchisecontract, waarbij beide
partijen volledig onafhankelijk zijn en de samenwerking lang genoeg duurt om een
payback te krijgen plus een remuneratie plus de verkoop van de zaak aan het einde
van het contract. Ook UNIZO en UCM staan achter deze visie van de BFF."
Het venijn zit in de staart
Vroegtijdige beëindiging van het contract wordt behandeld in artikel 8 en
is toegestaan in geval van uitzonderlijke omstandigheden of een zware fout van
één der partijen. Het uitzonderlijk karakter zal aan de rechtbank
overgelaten worden. Mr. Vaes: "Indien er zware tekortkomingen zijn van de
franchisegever zal de franchisenemer moeten worden vergoed voor het nadeel hiervan,
met inbegrip van de investeringen en verloren kosten. Het principe van een non-concurrentiebeding
ten laste van de franchisenemer is toegelaten in artikel 9, het mag echter slechts
betrekking hebben op handelsactiviteiten van gelijkaardige strekking en beperkt
zijn tot het grondgebied van de franchisenemer met een maximale duur van een jaar." |