Eerder in Franchise+ 3/2001 Terug naar het overzicht
 
Twee nieuwe initiatieven tot wetgeving voor franchising in België
 
Sinds een wetsvoorstel in 1981 is er in België geen wetgevend initiatief meer geweest in deze materie. Vanwaar dan opeens deze stormloop? Twee nieuwe wetsvoorstellen -vrijwel tegelijkertijd- door twee verschillende groeperingen: GTI (Groupement Travailleurs Independants) enerzijds en SP-PS kamerleden Jan Peeters, Jean-Marc Delizée en Henk Verlinde anderzijds.
 
Een Belgische wetgeving voor franchising?
 

De auteurs van het wetsvoorstel van de GTI menen dat franchising als economisch gebeuren rijp is voor wetgevend ingrijpen en dat de franchisenemer, gelet op de belangrijke investeringen en de -naar hun mening- zwakkere positie ten opzichte van de franchisegever, wetgevend moet worden beschermd. Hierbij menen zij zich ook te moeten inspireren op het statuut van de huurder van handelspanden en de concessiehouder voor het tot stand komen van deze wetgeving.
Het wetsvoorstel van de SP-PS kamerleden is een vrucht van de nieuwe politieke profilering van de SP-PS. Sinds enkele maanden zijn de kopstukken van deze politieke partij bezig met een verruiming naar de zelfstandig ondernemers. Dit onder het motto: 'moderne sociaal democratische partijen komen op voor sociale rechtvaardigheid voor iedereen, ook de zelfstandigen'.
Qua inhoud zijn er in beide wetsontwerpen kleine verschillen.

Inhoud ontwerp
De inhoud van beide wetsontwerpen legden wij voor aan de volgende specialisten in deze materie: mr. Olivier Vaes uit Antwerpen, Arnaud le Grelle, executive director bij de Belgische Franchise Federatie en Jan de Sutter, Senior Consultant bij JDS-Consulting. Hieronder vindt u een samenvatting van de meest frappante elementen in de wetsontwerpen, voorzien van de opmerkingen en het commentaar geleverd door deze specialisten.

Tom Commeine

 
Het wetsontwerp van GTI
Artikel 1 beschrijft het franchisecontract. Mr. Vaes: "Hier vinden we een klassieke definitie, zoals in de Europese Verordening, echter met uitzondering van het geheime karakter van de formule en men laat ook het begrip 'Intellectuele Rechten' vallen, wat een flinke afzwakking is van de knowhow van de franchisegever." Arnaud le Grelle merkt op dat de definitie in feite veel meer omvat dan wat verstaan wordt onder zuiver franchise. "De bedoeling van de wetgeving zou zijn een specifieke garantie te geven aan zelfstandigen die moeten investeren." Jan de Sutter merkt hierbij op: "Deze definitie omvat eigenlijk alle vormen van samenwerking tussen zelfstandigen waarbij er een investering dient te worden gedaan door de zogenoemde franchisenemer; en dit in analogie met de Wet Doubin in Frankrijk die ook voor alle samenwerkingsvormen geldt, wat weinigen overigens weten."
Artikel 2 handelt over de precontractuele informatieverstrekking. Leden van de BFF dienen reeds zo'n informatiepakket aan te bieden. De franchisegever zal, uiterlijk 15 dagen voor het ondertekenen van het contract, een compleet schriftelijk informatiepakket van de formule beschikbaar moeten stellen. Het niet-mededelen van deze informatie zal een zware tekortkoming zijn. Een van de gevolgen zou zijn dat de franchisenemer het contract lastens franchisegever binnen de twee jaar na aanvang van de overeenkomst mag beëindigen.

Nieuw in de franchisewereld?
Artikel 5 bepaalt dat een contract gesloten mag worden voor bepaalde of onbepaalde duur. Mr. Vaes: "Nieuw hierbij is dat de termijn van het contract de franchisenemer moet toelaten zijn startinvestering te dekken." Arnaud le Grelle: "Over het principe is er geen probleem, dat staat reeds in de Europese Deontologische Erecode over Franchising, een tekst die reeds 25 jaar oud is. Wij vragen ons wel af hoe men dit hier in detail zal omschrijven."
Artikel 6 is een nieuwe bepaling over royalty's die is geïnspireerd door de Wet op de Handelshuurovereenkomsten. Mr. Vaes: "Bij het verstrijken van iedere periode van drie jaar heeft elke partij het recht om aan de rechtbank de herziening te vragen van de vergoeding (royalty's) die verschuldigd is aan de franchisegever, op basis van nieuwe omstandigheden. (...) Indien de beoogde vergoeding minder of meer dan 25% van de vorige vergoeding zou bedragen, heeft elke partij het recht om het contract te beëindigen, mits een opzegtermijn van 90 dagen wordt aangehouden, tenzij de begunstigde partij schriftelijk aanvaardt de vorige vergoeding te beperken tot 25%. Deze bepaling roept om moeilijkheden volgens mij." De BFF pleit ervoor dat de initiatiefnemers deze bepaling herzien.
(streamer) "Deze bepaling roept om moeilijkheden volgens mij."

   Jan De Sutter: "Waarom moet België zo nodig -in extremis- een eigen wetgeving lanceren?"

"Artikel 7 werd dan weer geïnspireerd door de Concessiewet van 1961. Nieuw zou zijn dat de franchisenemer het recht zou hebben op een vergoeding voor de klantenkring. Deze vergoeding zou bestaan uit de meerwaarde voor het cliëntèle en de publiciteitskosten. Zij zou echter niet meer dan zes maanden vergoeding van de franchisegever mogen overschrijden, op basis van de vergoeding van de drie laatste jaren," zegt mr. Vaes, "deze vergoeding zou ook niet verschuldigd zijn indien de franchisenemer zelf een einde maakt aan het franchisecontract, anders dan om zware tekortkomingen van de franchisegever of indien het contract ten einde komt ten gevolge een zware fout van de franchisenemer. De franchisegever zal wel verplicht zijn om de voorraad van producten van de franchisenemer over te nemen." De heer Le Grelle heeft ook hier enkele opmerkingen bij: "Het is helemaal niet volgens de filosofie van een franchisecontract, waarbij beide partijen volledig onafhankelijk zijn en de samenwerking lang genoeg duurt om een payback te krijgen plus een remuneratie plus de verkoop van de zaak aan het einde van het contract. Ook UNIZO en UCM staan achter deze visie van de BFF."

Het venijn zit in de staart
Vroegtijdige beëindiging van het contract wordt behandeld in artikel 8 en is toegestaan in geval van uitzonderlijke omstandigheden of een zware fout van één der partijen. Het uitzonderlijk karakter zal aan de rechtbank overgelaten worden. Mr. Vaes: "Indien er zware tekortkomingen zijn van de franchisegever zal de franchisenemer moeten worden vergoed voor het nadeel hiervan, met inbegrip van de investeringen en verloren kosten. Het principe van een non-concurrentiebeding ten laste van de franchisenemer is toegelaten in artikel 9, het mag echter slechts betrekking hebben op handelsactiviteiten van gelijkaardige strekking en beperkt zijn tot het grondgebied van de franchisenemer met een maximale duur van een jaar."

 
Het wetsvoorstel van de SP-PS
   mr. Olivier Vaes: "Dit gaat volledig voorbij aan de filosofie van franchising."

Mr. Vaes: "Artikel 4 bepaalt hier dat de franchisegever zijn contractuele informatieverstrekking dient te doen minstens 1 maand voor het sluiten van het franchisecontract. Artikel 7 bevat een nieuw element: 'de franchisegever kan zijn instemming tot overdracht slechts weigeren om een objectief verantwoorde reden. In geval van betwisting kan elke partij de arbitragecommissie hierover raadplegen.' Dit gaat volledig voorbij aan de filosofie van franchising waarbij de samenwerking vooropstaat en vooral ook de franchisegever iemand kwalificeert volgens een bepaald profiel."

Artikel 8 van het wetsvoorstel bepaalt, in tegenstelling tot het wetsvoorstel van de GTI, dat non-concurrentiebedingen na het contract nietig zijn, tenzij in het geval dat het handelsfonds wordt overgenomen door de franchisegever. Daarnaast zijn volgens dit voorstel ook clausules nietig waarbij een verplicht zakencijfer of verkoopcijfer c.q. een andere resultaatverbintenis wordt opgelegd."

Nieuw
Mr. Vaes: "Volledig nieuw in dit wetsvoorstel is het instellen van een Arbitragecommissie. Geschillen worden ingediend via een geschreven verzoekschrift met gegevens van de partijen en motivering. De Commissie heeft een raadgevende bevoegdheid met betrekking tot de artikelen 7,10 en 12."

 
Samenvattend
De beide wetgevende initiatieven zouden ongetwijfeld tot gevolg hebben, wanneer zij wet van kracht worden, dat de plichten en de verantwoordelijkheden van de franchisegever zouden verzwaren. De economische risicofactor zou zowel voor bestaande ketens als voor nog op te richten franchiseketens herzien moeten worden.
Jan de Sutter: "Dat zou wel eens nadelig kunnen uitdraaien voor kandidaat-franchisenemers; potentiële franchisegevers zullen tweemaal nadenken voor zij een formule lanceren en eventueel kiezen voor -bijvoorbeeld- een filiaalstructuur.
Mr. Olivier Vaes: "Gelet op de versterking van de rechten van de franchisenemer is het risico dan ook groter dat de franchisenemer geschillen zou uitlokken om schadevergoedingen te vorderen bij niet correcte naleving van de overeenkomst door de franchisegever.
Jan de Sutter: "Er is een Europese wetgeving en we staan aan de vooravond van een mondiale wetgeving (zie pag. 41 van Franchise+ Nr. 2). Arnaud le Grelle: "Er bestaat reeds een wereldwijde commissie die zich met Franchising en Wetgeving bezig houdt, die zich UNIDROIT noemt, en reeds sedert 10 jaar bezig is met een algemene tekst voor te bereiden voor landen die een wetgeving zouden willen invoeren in verband met Franchising."
Jan De Sutter: "Waarom moet België zo nodig -in extremis- een eigen wetgeving lanceren die buitenlandse formules zal afremmen bij de overweging zich in België te vestigen?"
"Er is bovendien geen behoefte aan een Belgische wet, gelet op het bestaande contractenrecht en gelet op de wetspraak die inmiddels aanzienlijk aangegroeid is en reeds beschermend optreedt", zegt Mr. Vaes.
Jan de Sutter: "Franchising die correct wordt toegepast is een van de meest edele samenwerkingsvormen en berust onder andere op een win-win-win situatie waarbij in dat geval de beste bescherming voor de kandidaat-franchisenemer komt uit de hoek van zijn franchisegever. Uiteraard dient deze een contract toe te passen dat niet alleen juridisch correct is, maar ook een hoge moraliteit uitstraalt."