Eerder in Franchise+ 5/2000 Terug naar het overzicht
 

Dienen franchisenemers in bescherming te worden genomen?

In dit artikel wordt de stelling verdedigd, dat franchisegever en franchisenemers formeel zelfstandige ondernemers zijn, doch in juridische zin zeker niet gelijk zijn. In zekere mate zijn franchisenemers te beschouwen als consumenten; de zwakke partijen bij een overeenkomst. In geval van conflicten dient de rechter de zwakke partij te beschermen. Geldt deze stelling ook voor franchisenemers?

Mr.dr. A.J.J. van der Heiden

Inleiding
Veel problemen tussen franchisegever en franchisenemers vloeien voort uit een zekere machtsongelijkheid. Bijvoorbeeld in het geval een franchisegever bepaalde ontwikkelingen wil doorvoeren, maar op weerstand stuit bij een of meer franchisenemers, die niet zonder slag of stoot de voorgestelde veranderingen - en de daarbij behorende feeverhoging(en) - willen accepteren. De hier genoemde 'slag of stoot' is meestal in het voordeel van franchisegevers, omdat zij zich bedienen van 'waterdichte', gecompliceerde, bijna allesomvattende contracten. Deze franchisegevers en hun juridische hulpverleners stellen zich doorgaans op het standpunt, dat de franchisenemer een zelfstandige ondernemer is, die heel goed weet wat voor contract hij heeft getekend en verder niet moet zeuren, maar gewoon moet meedoen en mee-investeren, omdat anders het welzijn van de keten geweld wordt aangedaan en de desbetreffende franchisenemer aansprakelijk zal worden gesteld voor de schade. Deze stelling deel ik niet, omdat een franchisenemer die naar mijn mening als zwakke partij bij de overeenkomst moet worden beschouwd, speciale steun nodig heeft van de wetgever en - in zekere mate - door de rechter zal moeten worden beschermd bij conflicten. Dat is ook het geval bij huurders, werknemers en consumenten, die als zwakke partij bij de overeenkomst worden beschouwd en door de wetgever worden beschermd. Een franchisewet bestaat echter (nog) niet.

Gelijke partijen
Zijn franchisegever en franchisenemers te beschouwen als gelijke partijen? Het antwoord op deze vraag is van het allergrootste belang bij de uitleg van franchiseovereenkomsten. Prof. mr. Kneppers heeft onlangs geschreven: 'Met de rechtsverhouding tussen zakenlieden onderling (de franchisenemer onderneemt voor eigen rekening en risico!) is het anders dan met die van burgers onderling of van particulieren ten opzichte van een professionele wederpartij'. (Citaat uit Ondernemingrecht 2000-1, p. 27). Volgens Kneppers zijn franchisenemers zakenlieden en daarom geldt tussen franchisegever en franchisenemers nog steeds 'pacta sunt servanda'. Met andere woorden: wat in de franchiseovereenkomst staat, bindt partijen al ware het een wet. Verder onderbouwt Kneppers haar stelling niet. Dat is jammer, want in haar eigen boek (dissertatie) stelt ze op p. 24 (herhaald op p.35): 'de begrippen juridische en economische zelfstandigheid staan echter niet geheel los van elkaar. Als de franchisenemer te zeer beknot wordt in zijn economische zelfstandigheid zal daarmee ook de juridische zelfstandigheid gevaar lopen.'. Deze stelling deel ik wel, zij het dat m.i. franchisenemers economisch volstrekt afhankelijk zijn van de franchisegever en zijn franchisesysteem. Die economische afhankelijkheid treft men ook aan bij handelsagenten, zij het dat voor handelsagenten dwingende wettelijke regels opgesteld zijn, die m.i. ook van toepassing zijn op franchisenemers, indien zij zich met vertegenwoordiging bezighouden, zoals het geval is bij hypotheekbemiddeling. Kneppers heeft natuurlijk wel gelijk, dat voor 'zakenlieden' andere regels gelden dan voor consumenten, zij het dat die stelling onvoldoende genuanceerd is, omdat Kneppers kennelijk geen onderscheid maakt tussen grote en kleine zakenlieden (ondernemers) en daarbij onvoldoende in acht neemt dat onze wetgeving een zekere reflexwerking toekent aan kleine, met een consument gelijkgestelde, ondernemers. Ook (aspirant) franchisenemers zijn dikwijls (zeer) kleine ondernemers en zeker ten tijde van de ondertekening van het franchisecontract, te meer wanneer zij daarvoor gewoon werkzaam zijn geweest in loondienst.

Vanaf het begin
In het Saladin/HBU-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid contractuele bepalingen buiten effect gesteld kunnen worden. Wanneer kan nu zo'n contractuele bepaling terzijde worden gesteld? Volgens de Hoge Raad is dat afhankelijk van de omstandigheden waaronder het contract tot stand is gekomen. De Hoge Raad schenkt aandacht aan de aard van het contract, de maatschappelijke positie van partijen, de onderlinge verhouding tussen partijen en de mate waarin de wederpartij zich bewust is geweest van de strekking van het contract(uele beding). Dit arrest is van belang voor franchisenemers. In 1992 heb ik al geschreven dat aan franchisegevers zware zorgvuldigheids- en mededelingseisen kunnen worden gesteld, om te voorkomen dat toekomstige franchisenemers op grond van onjuiste voorstelling van zaken een franchiseovereenkomst aangaan, aangezien de franchiseovereenkomst naar zijn aard bijzonder ingewikkeld is, de franchisegever gebruik maakt van (juridische) gespecialiseerde afdelingen en derhalve zijn maatschappelijke positie geheel verschillend is met die van een aspirant franchisenemer, die meestal in loondienst werkzaam is, de franchisegever doorgaans een veel sterkere economische en financiële positie bezit dan een aspirant franchisenemer, de franchisenemer zich in geringe mate bewust zal zijn van de strekking en inhoud van de overeenkomst en tenslotte voor het voldongen feit wordt gesteld dat sprake is van een take-it-or-leave-it overeenkomst. Onderhandelen is niet mogelijk.

Tijdens de looptijd
Ook tijdens de looptijd van het contract verkeert de franchisenemer in een min of meer juridisch en economisch mindere positie dan de franchisegever, aangezien franchisenemers verplicht zijn instructies op te volgen van de franchisegever, controle toe te staan op de wijze waarop zij hun franchisevestiging exploiteren en allerlei veranderingen, het franchisesysteem betreffende, zullen moeten accepteren. Het komt - althans in mijn praktijk - vrij vaak voor dat de franchisenemer tijdens de afloop van het contract een geheel ander franchisesysteem exploiteert, dan bij de aanvang van het contract. Wat de afloop betreft, ken ik bovendien praktijkvoorbeelden, waarbij de franchisegever misbruik van zijn economische en juridische macht (rechten) maakt, door de franchisenemer te dreigen het contract te zullen beëindigen, dan wel niet te zullen verlengen, als de franchisenemer zijn medewerking aan bepaalde contractswijzigingen niet verleent. Geldt alsdan de stelling die ik vanuit wetenschapskringen hoor, dat de franchisenemer, als zelfstandige ondernemer, gelijk is aan de franchisegever, want hij hoeft de contractsverlenging niet te aanvaarden? M.i. niet want er zijn gevallen, dat de franchisenemer economisch gedwongen is, door de franchisegever eenzijdig opgelegde verplichtingen te aanvaarden, simpel, omdat hij nog enige jaren nodig heeft om zijn investeringen terug te verdienen. Beëindiging van het contract brengt hem in een zeer nijpende financiële positie en hij heeft vanwege deze economische redenen geen keus. Dat een en ander zeer nadelige gevolgen heeft voor de rechtsbetrekkingen tussen franchisegever en franchisenemer(s), hoeft verder geen betoog

Franchiseraad
Een oplossing tot het harmoniseren van franchiseverhoudingen is het oprichten van een franchiseraad (franchisenemersvereniging). Ook niet geheel zonder complicaties, maar indien alle betrokken partijen de oprechte wil hebben hun onderlinge relaties te optimaliseren en de franchisegever daarbij genegen is zijn franchisenemers op deskundige wijze te begeleiden, dan biedt de stelling van Kneppers meer houvast, want dan zijn de franchisepartijen, als 'zakenlieden', min of meer aan elkaar gewaagd. Een franchisegever tegenover (of beter naast) franchisenemers. Individueel maakt de franchisenemer geen schijn van kans. Om deze reden pleit ik onder meer voor een franchisewet om franchiserechtsbetrekkingen te regelen en de verplichting voor franchiseketens tot de oprichting van een franchiseraad een en ander naar analogie van de ondernemingsraad.

Mr. dr. A.J.J. van der Heiden is rechtskundig adviseur te Den Helder.